Tagarchief: vakantie

Met de bijbel op vakantie

“1. In den beginne schiep God den hemel en de aarde.” (Bijbel, Genesis, pagina 7). Dit is de eerste en alles omvattende zin van de Bijbel die voor mij op het tafeltje ligt. De bijbel die ik gisteren, zaterdag, heb gekregen van een van de familie’s die het park ging verlaten. Ik heb me voorgenomen die bijbel, stukje bij beetje en vanaf het begin, te lezen. Inmiddels ben ik dus al voorbij de eerste zin. Een hele stap.

Twee weken geleden kwamen de negenenvijftig Nederlandse gezinnen aan. Midden in Zuid Frankrijk, op het Nederlandse park Vacance du Soleil, waar ik werk. Buiten miezert het als de gezinnen een voor een de sleutel komen halen. Ál deze gezinnen hebben een ding gemeen: ze hebben hun reis geboekt via de christelijke reisorganisatie Vakanz. Alle, ruim driehonderd, mensen op het park zijn overtuigd christen. Tot aan de recreatieteam-meisjes in de studio naast mij aan toe. Veel van mijn vooroordelen blijken die eerste dag waar; visjes op auto’s, rokken, kettinkjes met kruizen om de nek.

Ik zou nu kunnen omschrijven hoe de twee weken, dag na dag, zijn verlopen. Over het animatieteam dat christelijke liedjes met de kinderen zingt, de zondag waarop iedereen twee keer naar de kerk gaat en de zon die steeds feller gaat schijnen. Over de jongeren die geen televisie hebben maar wel uitzendinggemist kijken, de keer dat ik uit interesse mee naar de kerk ben geweest en alle gesprekken en verbaasde reactie’s die dat heeft opgeleverd. Maar dat alles doe ik niet. In plaats daarvan sla ik in dit verhaal twee weken over en beland ik bij de dag dat iedereen weggaat.

Vrijdag twintig juli, inmiddels al weer twee dagen geleden, vertrekt iedereen. Ik weet van bijna iedereen in welke bungalow ze zitten en bijna iedereen kent mij bij naam. Met een wat melancholisch gevoel zit ik voor de studio terwijl de auto’s een voor een toeterend het park uitrijden. De buurmeisjes zijn weg, voor even is het stil in en rond de studio. Praten over God gaat niet meer en is ook niet meer nodig. Het verschil tussen al deze mensen en mij was dat zij zonder twijfel konden praten over het bestaan van de Here Jezus, terwijl ik vooralsnog geen idee heb waar we na onze dood naartoe gaan. Dat is wat ze hun geloof noemen, het rotsvaste vertrouwen in God. In Jezus en in de waarheid van de bijbel. Als ik vroeg of het allemaal misschien wel eens verzonnen kon zijn was het antwoord was steeds hetzelfde: “God bestaat, als je zondigt en je niet laat bekeren kom je in de Hel, maar ook voor mensen die elke zondag twee maal naar de kerk gaan is het maar de vraag of er een stoel klaarstaat in de Hemel.”

Of het allemaal waar is weet ik nog niet. Eerst maar eens verder lezen in de bijbel. Ik ben inmiddels een paar zinnen verder: “10. (…) en God zag, dat het goed was.”

En ineens besef ik me hoe fijn mijn vakantie is geweest

Door mijn dakraam zie ik de blauwe lucht. Het is net acht uur geweest. Ik heb zin om te gaan skeeleren en omdat het toch nog vakantie is en ik niets te doen heb, loop ik naar beneden en doe ik mijn skeelers aan.

Eenmaal op het fietspad is de lucht al helemaal oranje gekleurd. De Hoogeveensche vaart ligt bladstil aan de linkerkant, rechts slenteren wat koeien. Terwijl mijn skeelers steeds sneller over het asfalt razen, denk ik na over mijn vakantie en ineens besef ik me hoe fijn mijn vakantie is geweest.

Mijn vakantie, waarin ik twee weken op Ameland heb gewerkt. Twee heerlijke weken, met leuke mensen; mijn bazin, collega’s en gasten, huisgenoot en collega Femke, een Engelstalige collega who I understood completely en schitterend leuk werk. De vakantie waarna tapas nooit meer hetzelfde zal zijn. Maar ook de vakantie waarin ik een week op de drie buurkinderen heb gepast, die ik al een jaar lang stukje bij beetje op zie groeien. De Duplo-trein is mijn favoriete speelgoed daar.

De vakantie waarin ik met mijn ouders en drie zusjes naar Engeland ging. Waar we op het strand lagen, of door London liepen en de rellen op een haar na overleefden. Waar mijn moeder en ik elke dag stiekem heel even op internet keken. Engeland, waar ik ontdekte dat je tot je achttiende niet in een bar mag komen zonder begeleiding van een volwassene. Ik ontdekte de vriendelijkheid van de Engelsen. Ik heb de White Cliffs Of Dover gezien en er bovenop gestaan. Een omgeving waar zelfs gedrochten mooi op de foto komen. Ik heb de gezelligheid in de pubs gevoeld, Engels gepraat met Engelse mensen aan de bar en in de supermarkt, op straat en bij de bakker.

Dit was ook de vakantie van de Efteling, waar ik een dagje met mijn zusje heen ging op het meest onhandige moment van het hele seizoen. Dit was de vakantie zonder twitter. Dit was de vakantie dat ik Arie Boomsma interviewde en Youp van’t Hek heel even sprak, door scholieren.com. Dit was de vakantie dat ik met mijn moeder ruim vijfhonderd kilometer op één dag reed in een Volvo. Sportmodel. Dat was leuk. Dit was de vakantie van de ruzies met mijn zusjes. Maar dit was ook de vakantie van de iPad, ik heb er een gekocht. Een echte.

Dit was de vakantie dat mijn pake en beppe (vrij vertaald: opa en oma) naar Workum, Friesland, verhuisden. Nadat ze zeven jaar op loopafstand van ons gewoond hebben zijn ze nu ver weg. Kunnen we weer logeren, zoals vroeger.

Nu heb ik 529 woorden besteed aan mijn vakantie. Het was een fijne vakantie. En nu ga ik weer naar school. Het examenjaar. Over twaalf maanden schrijf ik misschien wel weer zo’n stukje, als ik besloten heb wat ik na dit jaar wil gaan doen. Naar Frankrijk? Tot die tijd zit ik op school en zal ik nog vaak willen dat het weer Augustus 2011 was, dat ik weer onbezorgd van mijn fijne vakantie kon genieten. Maar dat kan niet en het heeft ook geen zin daar verder nog aandacht aan te besteden.

Niets heeft zin trouwens, een onuitstaanbare gedachte.

*Ik moet iets opbiechten. Die laatste zin heb ik niet zelf bedacht. Die is van de –inmiddels overleden- columnist Martin Bril.

Met zijn meest charmante glimlach zegt hij dat hij Joost heet.

Als ik naar buiten loop staat hij bij haar tafeltje. Hij masseert de vingerkootjes van Anne. Het meisje heeft een blok hout op haar vinger gekregen. Terwijl hij een draaiende beweging over Anne haar duim maakt stelt hij zich voor aan de vrouw. De moeder van Anne. Eind veertig, blond, hakjes, kort jurkje. Met zijn meest charmante glimlach zegt hij dat hij Joost heet. Gepensioneerd huisarts. Zij heet Merel. ‘Mooie naam’, zegt Joost. ‘Hmm’, mompelt Merel.

Twintig minuten eerder was een kalende man het terras opgelopen. De sleutel van zijn gehuurde fiets had hij nog in zijn hand. Hij was gaan zitten aan tafeltje 102, naast het tafeltje van een blonde vrouw en een meisje. Ik vroeg hem of hij wat wilde drinken en terwijl ik dat vroeg zocht hij oogcontact met haar. Hij bestelde een cola light en vroeg de menukaart.

Hij neemt een slok van zijn cola light. Anne komt aangerend. Huilend. Ze heeft een blok hout op haar duim gekregen.

Al vanaf het begin moet Merel niks van Joost weten. Ze staart voor zich uit, speelt met haar blonde haren, geniet van de zon. Joost doet zijn uiterste best. Hij is druk bezig met de duim van Anna.

Het keukenbelletje gaat. Ik loop richting de keuken om de bestelling weg te brengen. “Tafel 102: Patat Mayo.” Als ik het bord patat op tafel 102 wil zetten hoor ik Joost tegen Merel zeggen: “Zal ik híer anders komen zitten? Dan kunnen jullie ook mee-eten.” Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat Merel voorzichtig knikt.

Anne snoept van de patat. Merel staart voor zich uit. Joost praat tegen haar over zijn grote huis, zijn oude huisartsenpraktijk, zijn overleden vrouw. Merel hoort zijn verhalen aan, kijkt voor zich uit, neemt nog een slok rosé en speelt met haar blonde haren.

“De patat was heerlijk”, zegt Joost tegen me als ik de rekening van tafel 102 print. Hij betaalt. Als ik hem aankijk zijn de stralende ogen waarmee hij Merel had aangekeken verdwenen. Ze viel niet voor hem. Hij wel voor haar.

Een kalende man loopt met gebogen hoofd naar zijn gehuurde fiets. Hij fietst weg. Een vrouw van in de veertig, blond haar, hakjes, kort jurkje kijkt hem na . Als hij uit het zicht verdwenen is zegt ze tegen het meisje dat naast haar zit: “Joost hè? Mooie naam.” en ze begint te blozen.

Marianne.

Het rokje met tijgerprint hangt net boven haar gebruinde kuiten. Boven het rokje een shirtje. Afgaand op haar kleding zou ze eenentwintig jaar kunnen zijn. Bij haar hoofd aangekomen weet ik dat dát niet zo is. Haar voorhoofd zit onder de rimpels, het haar zit wat warrig. Ze heeft velrode lippenstift op, haar mond beweegt snel op en neer. Ze schreeuwt een beetje. Een Den Haags accent klinkt door de boxjes. Op hakjes houdt ze zich staande in de schommelde bus.

Om de drie minuten vertelt ze dat ze al vijfendertig jaar ervaring heeft. Vijfendertig jaar. Haar hoofd loopt rood aan. In de bus is het, volgens de thermostaat van de Volvo, zesendertig graden. Kapotte airco. Haar hoofd wordt steeds roder.

Terwijl ze verteld over Engeland, Londen, Duitsland en Frankrijk probeer ik te schatten hoe oud ze is. Ik denk vijfenvijftig. Dan is ze op haar twintigste, als reisleidster, begonnen. De gigantische zonnebril heeft ze op omdat haar oogleden gisteren verbrand zijn. Op het strand van Scheveningen.

Ik zou nog veel meer over Marianne kunnen schrijven. Dat ze geen alimentatie van haar ex wil hebben, dat ze zelf altijd naar Turkije op vakantie gaat. Ik zou kunnen zeggen dat ze een zoon van twintig heeft en ’s morgens niet ontbijt.

Maar dat doe ik niet. Hier laat ik het bij. Genoeg over Marianne. Onze reisleidster.

Duizend-en-één vakantiesites

Je wil op vakantie naar Noord-Frankrijk of België? Prima.
Je wil op vakantie met het openbaar vervoer? Geen probleem.
Je wil dat regelen via het internet? Ai.

Op vakantie naar Frankrijk of België, dat was dus ons doel. Franstalig, dat was een must. Het zou geen gewone vakantie worden, nee. Mijn zusje en ik wilden op vakantie met mijn opa en oma.

Waar begin je dan? Bij het reisbureau? Op internet? Ik had niet zoveel zin in het reisbureau, nog niet. Als ik de mevrouw in het reisbureau zou vertellen dat ik op zoek ben naar een vakantiepark of hotel in Noord-Frankrijk of België reageert ze waarschijnlijk met: “Maar wat zoek je dan precies? En waar? En in wat voor prijsklasse? En met eigen vervoer of met het vliegtuig? Of met de trein?” Daar had ik geen zin in, dus ging ik het internet op.

Het internet. Gewoon, de startpagina. “Google.nl”. Zoekopdracht:”Vakantiepark Noord Frankrijk”. 95.900 resultaten. Oké, een halfuur verder, nog niets gevonden. Volgende zoekopdracht; “vakantiepark België”. Geen park te vinden met een station in de buurt.

een hotel dan? Dat werd te duur. Een vakantiepark in Noord-Frankrijk? Te ver weg. Een vakantiepark ik België? Prima, wel Franstalig asjeblieft. De vraag is nu wat gerichter, we zoeken een vakantiepark dat vlak onder Maastricht ligt en Franstalig is.

Dan toch maar naar het reisbureau, daar hebben ze vast antwoord. Mevrouw vraagt eerst drie keer of ik een kopje thee wil. Nou, nee. Daarna gaat ze op zoek, eerst in wat folders, daarna achter de computer. Ze start internet op, gaat naar Google en typt in: “Vakantiepark België onder Maastricht.” Zucht.

Daar komen we dus niet verder mee, na een halfuurtje tijdverdrijf ga ik naar huis. ’s Middags ga ik bij opa en oma langs, België is met het openbaar vervoer niet te doen, Frankrijk vinden zij te ver weg en vlak onder Maastricht zijn geen vakantieparken.

Gelukkig is opa ook even online geweest, geen Frankrijk of België, niet Franstalig maar prima met de auto te doen. Dus, als het aan hem ligt gaan we daar heen, gewoon, met hun auto. Even later lijkt het mij ook leuk, een mooi huisje, geweldige omgeving en ik ben er nog nooit geweest.

Zeeland.