Tagarchief: mons

Gregory & Patrick

‘Ik zeg het je: een Lamborghini Huracán zal de plank vol-le-dig misslaan op een expositie als deze!’, roep ik mijn collega naast me geërgerd toe. ‘Merde! Kap nu toch eens met je wens auto’s tentoon te stellen op een beurs die niet voor niets gedoopt is tot ‘Festival de la Moto’ een paar jaar geleden!’ Ik kan mij de expositie van twee jaar geleden nog goed voor de geest halen. Patrick, de enorm gewaardeerde maar soms veel te koppige collega naast me, had een aantal nieuwe modellen van Aston Martin geregeld. Volgens hem zouden ze de expositie ‘alleen maar meer paardenkracht’ geven, zei hij dan met een knipoog. Het bleek een grote flop te zijn. Er waren zo goed als geen nieuwe kopers voor de prominente voertuigenbouwers en we leden dat jaar grote verliezen met de expositie. En nu wilde hij weer een Lamborghini!

Door Rick Terpstra

‘Greg, excusez-moi, ik moet niet telkens weer zo doordrammen. Laten we even rustig wat gaan eten bij het volgende tankstation in plaats van ruzie maken in een stoffige Renault Scenic op de ringweg rond Bruxelles.’ Hoorde ik dat nu goed? Biedt Patrick Chambeaux, de veteraan in het vak met zijn 57 jaren oud, mij, Greg, de nieuwkomer van 23 jaar, zijn excuses aan? En daarnaast een sandwich? Zonder dat hij het doorheeft schitteren mijn ogen, verborgen onder mijn splinternieuwe Ray-Ban. Ik draai de auto dus de parkeerplaats van de Texaco bij Bruxelles-Midi op. Mon dieu, denk ik terwijl ik uit de auto stap, de Renault Scenic is echt een zooitje. Dat dit überhaupt door het leven mag gaan als ‘auto van de zaak’.

Buiten op de parkeerplaats staan wat picknicktafels, er staat een speeltoestel en vooral veel vuilnisbakken. De zon brandt fel op het asfalt, maar toch besluiten we mijn sandwich en Patricks maaltijdsalade (ook zo’n typisch trekje van hem) aan één van de grijzige picknicktafels op te eten. Naast ons zit een jongen met een enorme backpack druk te bellen in een vreemde taal en verderop is een groepje Franse senioren in gesprek met hoogstwaarschijnlijk de vriend van de buitenlandse beller naast ons. ‘En?’, onderbreekt de één zijn telefoongesprek, vragend kijkend naar de ander. Deze schudt zijn hoofd en antwoord. Nu hoor ik het. Nederlands.

Terwijl Patrick zit te smullen van de zalm uit zijn maaltijdsalade stapt één van de twee, de prater, dus niet de beller, op ons af. ‘Bon appétit!’ klinkt het in keurig school-Frans en hij vraagt of wij richting Parijs gaan. Patrick kijkt nors op van zijn zo net nog heerlijke stukje vis. ‘We gaan richting Mons, wel die richting op dus! Jullie kunnen wel een stukje meerijden, ’t is alleen niet ver!’, antwoord ik, puur om Patrick te sarren. Patrick heeft een hekel aan lifters. Als kind van een rijke fabriekseigenaar heeft hij nooit iets anders dan luxe gekend. ‘Pas de problème,’ mompelt hij chagrijnig.

 

De jongens wachten keurig als trouwe Labradors tot we uit zijn gegeten en stappen dan bij ons in de ‘auto van de zaak’. We kunnen hem beter meteen omdopen tot ‘stofblik van de zaak’, wat een walgelijk stuk ijzer zeg. Aangezien onze woordenschat Nederlands nihil is, we te lui zijn om Engels te gaan proberen en de jongens hun Frans willen oefenen leggen we in onze eigen taal uit wat voor werk we doen. Dat we druk bezig zijn met het organiseren van een beurs voor motoren in Mons, België. Ik merk meteen dat dit ver buiten hun gebied van interesses valt dus ik probeer het gesprek te redden, en begin over hockey in Nederland. Als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn het ongemakkelijke stiltes.

Hiermee start ik een soort fonetisch klinkerspel tussen mij en één van de jongens, Hollandse clubnamen op zijn Frans is nou niet mijn specialiteit. Ik hockey zelf op vrij hoog niveau en probeer ze uit te leggen dat ik al op meerdere plekken in Nederland was geweest. Bloemendaal was niet zo moeilijk, Rotterdam en Tilburg waren ook nog wel te doen. Maar na alle ondergane pogingen had ik in ons spel nooit meer punten gevangen voor Oranje-Zwart. Misschien moet ik als Belg toch maar meer gaan doen aan mijn Nederlands.

Het laatste tankstation voor Mons zet ik ze uit de auto. Ik wens ze veel succes en Patrick vertelt ze dat ze moeten kijken naar Franse kentekenplaten. Dat die auto’s vast wel richting Parijs gaan. ‘Wat een uitgestorven bedoeling hier man, hier zullen ze wel even blijven hangen,’ zeg ik. ‘Goed, is niet ons probleem,’ grijnst Patrick.

‘Misschien worden ze wel opgepikt door een Lamborghini Huracán.’

Rick en Tjeerd gingen tussen de tentamens door low-budget op vakantie: per lift en bij mensen thuis op de bank reisden ze langs de hoofdsteden van Frankrijk en België. De komende dagen hier een reisverslag door de ogen van de mensen die ze ontmoetten. Vandaag deel 6: Gregory & Patrick