Tagarchief: koffie

Koffie

Haar handen houden zich vast aan het kleine tafeltje. Het tafeltje, voorzien van bloemetjesprint, staat op het terras. Het is een statafel. Gehuurd van een statafel-verhuurbedrijf. Ze heeft een lichtroze jas aan, en een spijkerbroek. Blond, krullend haar hangt over haar schouders. Op het tafeltje staan twee kartonnen bekertjes. ‘Douwe Egberts’. Beide gevuld met zwarte koffie, zonder melk, zonder suiker.

Ze staat er eenzaam. Alleen. Ze wacht. Op de persoon van het tweede kartonnetje. Het kan haar man zijn, of haar vriend. Het kan een vriendin zijn, of haar dochter. Het kan een vreemde zijn, of een bekende. Ik weet het niet.

De tijd gaat voorbij. De koffie wordt koud. Ik denk dat het tweede kartonnetje van haar man is, haar man roept het beeld van een dikke doch keurige heer op. Hij heeft een pijp in zijn mond, een bril op zijn hoofd. Hij vertelt haar dat de zaken goed gaan, dat ze gewoon lichtroze jasjes kan blijven kopen.

Het tweede bekertje koffie kan ook van een vriendin zijn. Een vriendin die even oud is, vijftig jaar, die ook nooit kinderen kon krijgen, of die er juist teveel heeft. Een vriendin die veel lelijker dan haar is, veel dikker ook. Het zal wel een lieve vriendin zijn. Een door dik en dun. Door warmte en kou. Door vuur en regen.

Maar het bekertje kan ook van haar dochter zijn. Een al wat oudere dochter. Meisjes van zeven drinken geen koffie. Nee. Dan eerder een dochter van drieëntwintig.

Ik blijf een tijdje naar de vrouw kijken. Vanaf een afstandje. Ik wacht op de persoon die het tweede kopje op komt drinken. Een dochter. Een vriendin. Een man. Er komt niemand. Rustig drinkt de vrouw één van de kopjes leeg. Dan wacht ze even en begint ze aan haar tweede kopje.

Oh. Misschien had ze gewoon zin in twee kopjes koffie.

Roze dames

Ik zit in het restaurant van het ziekenhuis. Mijn zusje en ik hebben zojuist wat met mijn moeder gegeten. Rond half één zit het restaurant helemaal vol. Allemaal artsen, doktoren, cardiologen, radiologen, verpleegsters en kraamvrouwen eten hun lunch op. Nu, rond tien over één is het een stuk rustiger. Mijn moeder is weer naar boven, samen met een aantal collega’s. Mijn zusje is naar de stad. Ik blijf nog even zitten, drink mijn laatste kopje thee op en sta op het punt om weg te gaan.

Toen kwamen ze aan het tafeltje naast mij zitten. Vier dames. Allemaal een roze shirt, roze broek. De oudste was, zo schat ik, vijfenveertig jaar. De jongste drieëntwintig. Ze vielen wel op, na al die witte jassen.

Ik haal uit de automaat nog een kopje thee. Het is toch gratis. Als ik terug ga valt het me op dat er geen personeel meer bij de kassa staat. Het restaurant is op mij en de vier ‘roze’ dames na helemaal leeg. Ik weet ineens waar de dames van zijn, het zijn de vrouwen van het restaurant.

Als ik weer zit luister ik naar hun gesprek. Dat is zeker boeiend. Eerst gaat het over de jongste vrouw, ik ben er van overtuigd dat zij stagiair is. Ik begrijp uit het gesprek dat ze door het hele ziekenhuis werkt, vandaag een dagje restaurant. Ik zie aan haar gezicht dat het haar niks bevalt, dat restaurant. De oudere vrouwen bevalt het duidelijk wel, enthousiast praten ze over magnetronmaaltijden, gebakken aardappelen en de houdbaarheidsdatum van frituurvet. Boeiend hoor.

Het gesprek wordt naarmate de tijd vordert steeds boeiender. Na ongeveer vijf minuten zijn we aanbeland bij het onderwerp ‘koffieautomaat’. De stagiair raakt geïnteresseerd, ze vraagt maar raak. “Kan je meerdere kopjes tegelijk zetten? Welke hendel is waarvoor?  Waarvoor is nou die ene knop aan de achterkant? ”

Het gezicht van de stagiair klaart helemaal op.

Ineens zie ik het; die werkt tot haar vijfenzestigste in het restaurant, net als de andere drie dames.