Tagarchief: Klas

Hoezo ‘je durft niet’?

“Wat zeur je nou? Hoezo ‘je durft niet’? Wij hadden dit toch afgesproken, dan moet je het niet ineens anders willen. En je roept al weken dat je die Tuinstra zo’n zak vindt omdat-‘ie je een vier op die S.O. had gegeven.

En bovendien, wat kan er nou misgaan? Ja, god, tuurlijk kan de teamleidster binnen komen. Nou en? Die bitch durft toch ook niks met de hele klas tegenover zich.

Iedereen vindt ’t vet als we dit gaan doen, sterker nog: ze gaan er al vanuit. Die steunen ons echt wel. En Tuinstra verdient gewoon een lesje. Dit plan is zo fucking geniaal, en wij hebben het samen bedacht man. Je laat me toch niet in de steek nu?

Na zes jaar middelbare school zou Tjeerd met vlag en wimpel slagen voor het examen Mensenkennis. Probleemloos kruipt-‘ie voor Scholieren.com elke maand in het hoofd van een ander type scholier. Deze eerste keer: de etter van de klas.

Hoe gaat dit verder? Lees het hele verhaal op scholieren.com, en wel hier.

Zilveren herinneringen met een gouden randje

We zitten in een bus op de A28 en de ramen zijn beslagen. De beenruimte schiet als vanzelfsprekend ernstig tekort voor mijn 1.95 meter. De beslagen ramen bieden mogelijkheid tot een spelletje: galgje. Ons galgje-slachtoffer is al een stille dood gestorven voordat het eerste woord in waterdruppels op de ruiten tevoorschijn komt: quiz. De bus rijdt richting Hoogeveen. Een bus vol met eindexamenkandidaten van ’t vwo, klas zes, uit Hoogeveen. Allemaal klasgenoten van mij.

Terwijl ik in die bus zit en het volgende galgje woord met veel gelach wordt geraden (yoghurt) denk ik aan alle mensen die hier in de bus zitten. Mocht de bus verongelukken, ik noem maar wat; zit de arbeidsmarkt over tien jaar met een tekort. Bij economie geleerd. Achter alle gezichten zit een naam en bij de meeste gezichten ken ik ook het verhaal. Net als iedereen hier. Iedereen moet dit jaar een presentatie houden over zijn of haar toekomst. Sindsdien ontpoppen zich in mijn klas ineens biologische wetenschappers, artsen, zakenvrouwen, huisvaders, tolken en verloskundigen: het is te hopen dat deze bus niet verongelukt.

We zijn net bij de klimhal in Groningen geweest. In je eentje, maar gezekerd door een klasgenoot, beklom je de klimwand. Da’s dus een kwestie van blindelings vertrouwen op die klasgenoot. Gym is in de zesde klas van ’t vwo eerder een praktijklesje psychologie (ik wil die tyfus-tering-kut-potverdomme-vreselijke klimwand helemaal niet op. En dan toch gaan.) dan een gymles. Dat bevalt me wel.

Eigenlijk bevalt alles aan deze school me wel, besef ik in de bus ineens: de mensen, de leraren, het eeuwige gezeik op de schoolleiding, de vrienden, het gebouw. Dit alles natuurlijk omdat school na zes jaar een vertrouwd nest is geworden. Een telefoon op tafel wordt in de zesde klas van ’t vwo niet meer als een object volgens het schoolreglement gezien, maar als een menselijk ding. Dat zo nu en dan nou eenmaal op tafel ligt.

Maar hoe fijn en vertrouwd het ook is, het huiswerkcultuurtje werpt zijn vruchten al een poosje niet meer af. Ik ben ’t zat. Algemeen bekend is dat je van de middelbare school de minste vriendschappen voor het leven overhoudt. Die komen pas in je studententijd. Een gekke gedachte is het, dat mensen die ik nu dagelijks spreek over veertig jaar in een laatje ver weg gestopt in mijn -dan ver ontwikkelde- hersenpan zitten.

Maar als ik over een aantal jaren terugdenk aan het gevoel dat ik nu in de bus heb, dan verlang ik vast een zeker vurig terug naar dat moment. Heel eventjes maar. Daarna ga ik weer verder waar ik mee bezig was: mijn oude klasgenoten uit de zesde klas van ’t vwo bellen.

“Niet meer, nu. Ik sta niet meer.”

Ik schommel wat heen en weer op de houten stijger waar een groene mat overheen is gelegd. Het waait. Voor mij draait de baan met een snelheid van dertig kilometer per uur rondjes. Ik heb het gele touw stevig vast. Ik strek mijn armen. Rechts van mij staan vijfentwintig mensen te kijken hoe het gele touw zo meteen in de haak van de baan zal schuiven.

Ik zak nog iets verder door mijn knieën. Kont naar je hakken en armen gestrekt, was de opdracht. Het gele touw schuift in het haakje. Ik hoor een klik. Mijn armen worden voor mijn lichaam uitgetrokken en de twee houten latten onder mijn voeten schuiven van de schommelende stijger af.

Ik sta nog. Het water spat steeds harder alle kanten op. In mijn hoofd hoor ik liedjes als deze. Avontuurlijke liedjes. Actie-film-liedjes. Ik sta nog. Het spattende water is veranderd in een Heuse Golf. Op de kant roepen een paar mensen “Hup, Tjeerd”. Het geroep helpt; ik sta nog.

Niet meer, nu. Ik sta niet meer. Een chronische afwijking in mijn hand-oog coördinatie heeft ervoor gezorgd dat mijn waterski’s hun eigen leven begonnen te leiden. Als ik boven kom zie ik het gele touw met dertig kilometer per uur voor me uit zwaaien. Achter me komt de volgende – wél getalenteerde – waterskiënde klasgenoot eraan.

Ondanks mijn vier semi-mislukte pogingen was de, door school georganiseerde, waterskimiddag een groot succes. Leraren veranderen in mensen en vertellen anekdotes over bijna-doodervaringen in bootjes die in het verleden over de kop zijn gevlogen. Klasgenoten waterskiën zonder zichtbare moeite het parcours drie keer rond.

Ik geloof niet dat dit stukje jullie aan het denken zet. Hoeft ook niet. Ik wou gewoon graag mijn eerste waterski-ervaring even kwijt. Bij deze.

 

 

Kijk. Voor de duidelijkheid.