Tagarchief: brand

Ramptoeristen

8 feb, 22:24
De bel gaat. Het 3e uur Nederlands deze week is afgelopen. Op de gang wens ik iedereen een fijn weekend toe, en loop rechtstreeks naar mijn kluisje. Daar aangekomen pak ik mijn jas, hang mijn tas over mijn schouder, en loop de school uit, richting mijn fiets. Het is onrustig bij de fietsenstalling, vrijdagmiddag twee uur, en iedereen wil zo snel mogelijk naar huis. Ik zoek mijn fiets op, haal hem van het slot, en loop met de fiets aan de hand richting de weg. De grote fietstassen, met als opdruk: ‘Hoogeveensche Courant’ bungelen over mijn bagagedrager. Ik stap op, en ga het fietspad op, richting Hoofdstraat.
Onderweg is het koud, het is nog geen 10 minuten fietsen, maar zonder handschoenen kunnen je handen in die 10 minuten flink verkleumen. Ik rijd over de schutstraat, auto’s en snelle fietsers halen mij in, ik heb niet zo’n haast. De route ken ik feilloos uit mijn hoofd, elke maandag en vrijdag. Dan fiets ik hier.
Op de rotonde fiets ik nog gauw voor een vrachtwagen langs. Nog 200 meter, dan ben ik er. Het is nu nog maar één rechte weg, ik tuur voor me uit, en het lijkt alsof er verderop heel veel mensen staan. Rustig fiets ik door. Ik zie het nu beter, en inderdaad, het staat hier helemaal vol met mensen. Ik kan niet zien waar ze naar kijken, ik kan niet zien hoeveel het er zijn, één ding weet ik wel; er is wat aan de hand. Langzaam fiets ik tussen de mensen door, in een winkelruit meen ik een blauw zwaailicht te zien, verbeelding?
Ik zet mijn fiets tegen een muur, en kijk om me heen. Een mevrouw loopt voorbij, ‘ze zijn er niet hoor, ze moesten eruit’. Mijn vragende blik heeft geen effect, want ze loopt rustig door. Ik besluit de opmerking van de mevrouw te negeren en gewoon naar binnen te lopen. De deur is niet op slot, ik loop naar binnen, en voel de vloer bonken, ik hoor de pers stampen en ruik de verse inkt. Door het raampje, dat aan het eind van de gang zit, zie ik dat de pers draait, er staan drie mannen bij, drie mannen die ik ken.
Ik loop door en open de volgende deur, de vieze inktlucht komt nu samen met het oorverdovende geluid. Drie paar ogen kijkt mijn kant op, en ik schreeuw naar één van de mannen: ‘Moesten jullie er niet uit? ‘Ja’ schreeuwt hij terug, ‘maar die kranten moeten toch gedrukt worden’. Hij pakt 79 kranten uit de lopende pers, en duwt ze in mijn handen. Twee ondeugende ogen kijken mij aan, een sigaret hangt in zijn baard, en boven op zijn verwilderde haren zit een ‘Hoogeveensche courant’ pet. Ik wens de man een fijn weekend toe, en loop naar buiten.
Buiten kijk ik nog eens goed naar de voorbijkomende massa, pak daarna mijn fiets, en stop de 79 kranten in de fietstassen. Dit alles duurt nog geen minuut, en intussen hoor ik een sirene, vlakbij. De kranten zitten in de tassen, en ik pak de fiets aan de hand en loop tegen de massa mensen in.
Steeds meer mensen, meer en meer, honderden holle ogen lopen voorbij. Uitdrukkingsloos. Ik loop de hoek om, en ik schrik. Het woonhuis boven de ‘skooter’ staat in lichterlaaie. Wel 4 brandweerwagens, een ladderwagen, 2 ambulances, politie, de hoofdstraat ziet blauw van de zwaailichten.

Ik stap op mijn fiets, en fiets de ramptoeristen voorbij. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een iphone, één twitter-applicatie staat open, en nog net lees ik de tekst, een tekst die over enkele seconden online gaat:

‘brand bij skooter in Hoogeveen, ben er bij, cool gezicht man!’