De ‘vuvuzela’-ziekte

Toen ik de naam voor het eerst hoorde dacht ik aan een Australische berggeit, een vulkaan op IJsland of een exotisch drankje op Amerikaanse strandfeestjes. Niets is minder waar. De vuvuzela is, voor de enkeling die het nog niet weet, een toeter. Een toeter waar ‘BZZZZ’ uitkomt als men er op blaast. Dus.

Om eerlijk te zijn vind ik het een beetje sneuïg. Een beetje zielig. Ik vind het nog erger dan mensen die drie weken voor het begin van het Wereldkampioenschap voetbal oranje vlaggetjes in hun tuin hangen. Ik vind het nog erger dan de kinderen die middag na middag oude vrouwtjes voor de C1000 omverlopen om gogo’s te vragen. Voor de enkeling die dat óók niet weet, een Gogo is een figuurtje van plastic, ter grote van één duim, dat kinderen graag willen hebben. Vraag me niet waarom maar volgens mij heeft het iets met voetbal te maken.

Ik vind het zelfs nog erger dan de WK-bandjes, van de PLUS. Bandjes, van plastic, met op de voorkant het logo van een land. Je kan het bandje omdoen, en de ‘lieve mevrouw uit de reclame van de PLUS supermarkt’ beweert dan dat je het land dat op het bandje staat nog harder aanmoedigt. Blijkbaar zijn er mensen die dat geloven.

Ik vind het zelfs nog erger, en dan stop ik, dan volwassen mannen; cardiologen, radiologen, advocaten, rechters, directeuren die met een oranje hoed, oranje sokken, een oranje broek en een oranje bril op het werk verschijnen. Bah.

Maar alsjeblieft. Ga nou eens nadenken. Je stopt toch geen negentigduizend mensen in een stadion om ze vervolgens zo hard op een vuvuzela-toeter te laten blazen dat de NOS technici het stadiongeluid weg moeten filteren.

Ik zou het een ziekte willen noemen. De ‘vuvuzela’-ziekte.

Marianne.

Het rokje met tijgerprint hangt net boven haar gebruinde kuiten. Boven het rokje een shirtje. Afgaand op haar kleding zou ze eenentwintig jaar kunnen zijn. Bij haar hoofd aangekomen weet ik dat dát niet zo is. Haar voorhoofd zit onder de rimpels, het haar zit wat warrig. Ze heeft velrode lippenstift op, haar mond beweegt snel op en neer. Ze schreeuwt een beetje. Een Den Haags accent klinkt door de boxjes. Op hakjes houdt ze zich staande in de schommelde bus.

Om de drie minuten vertelt ze dat ze al vijfendertig jaar ervaring heeft. Vijfendertig jaar. Haar hoofd loopt rood aan. In de bus is het, volgens de thermostaat van de Volvo, zesendertig graden. Kapotte airco. Haar hoofd wordt steeds roder.

Terwijl ze verteld over Engeland, Londen, Duitsland en Frankrijk probeer ik te schatten hoe oud ze is. Ik denk vijfenvijftig. Dan is ze op haar twintigste, als reisleidster, begonnen. De gigantische zonnebril heeft ze op omdat haar oogleden gisteren verbrand zijn. Op het strand van Scheveningen.

Ik zou nog veel meer over Marianne kunnen schrijven. Dat ze geen alimentatie van haar ex wil hebben, dat ze zelf altijd naar Turkije op vakantie gaat. Ik zou kunnen zeggen dat ze een zoon van twintig heeft en ’s morgens niet ontbijt.

Maar dat doe ik niet. Hier laat ik het bij. Genoeg over Marianne. Onze reisleidster.

Over de streep

Ik zap wat rond. Net 5, sbs6, rlt 4. Uitzendingen vol flauwekul. Mannen met hobby’s, vrouwen met kinderen, doktoren met huilende kinderen en niet verkoopbare huizen. Flauwekul dus. Op het moment dat ik de tv weer uit wil zetten en door wil gaan met mijn huiswerk, zap ik bij Nederland drie langs.

Nederland drie. De zender van de bloemetjes en de bijtjes. De zender van de wereld draait door, het klokhuis, spangas, sesamstraat en het jeugdjournaal. De zender van de kleine kinderen en de oude opa’s. De zender voor jong en oud. In de blauwe balk onder het scherm staat ‘over de streep’. Waarschijnlijk de titel van dit programma. De titel spreekt mij aan, laat mij verder kijken.

Het programma gaat over twee Amerikaanse mensen, een man en een vrouw. Ze hebben een programma opgezet, een programma om kinderen zichzelf en elkaar te leren kennen. Het project wordt voor het eerst geprobeerd op een Nederlandse school, een Amsterdamse school.

De kinderen weten van niks. De derde klas van een Amsterdamse school. Nog even, dan moeten zij ‘over de streep’. Ik schenk nog een kopje thee in, pak een appel en ga weer voor de tv zitten.

Het programma gaat verder met de opbouw in een gymzaal. Zes camera’s, verschillende microfoons, belichting, geluidsinstallaties. Het blijven immers Amerikanen. De leerlingen uit de derde klas worden de gymzaal ingelaten. Ze beginnen met een spelletje, ze moeten schreeuwen en rennen, gillen en spelen. Niet wetend wat ze te wachten staat.

Dan begint het serieuze gedeelte. De vrouw stelt vragen, wanneer het antwoord op iemand van toepassing is moet je over de streep lopen en de rest van de groep aankijken. De eerste vraag gaat over pesten: ‘Wie is er ooit gepest door iemand in deze ruimte?’. De kinderen schrikken. De leerkrachten ook. Een handjevol kinderen gaat over de lijn, draaien zich om en kijken de groep aan. De groep kijkt verbijsterd terug.

Zo gaat het even door. Kinderen huilen, barbiemeisjes, vol gesmeerd met vijfendertig soorten mascara, uiten hun probleem. Eigenlijk zijn ze heel onzeker. Joh. Vertel mij wat.

Het is mooi om te zien. Zonder dat ik het door heb zit ik met tranen in mijn ogen voor de televisie. De kinderen stappen over de lijn. Soms huilend. Soms lachend.

Aan het eind van het programma, anderhalf uur later, zijn jarenlange ruzies opgeloste. Leraren omhelzen hun leerlingen, trutjes en buitenbeentjes zijn vrienden geworden. Ik zet de tv uit en hoop dat dit programma ook naar de rest van Nederland komt, niet alleen naar Amsterdam.

Naar Hoogeveen bijvoorbeeld, want soms mag ik die Amerikanen wel.

Zo rond de klok van acht.

Hij pakt zijn fiets uit de schuur, maakt zijn fietstassen aan zijn bagagedrager vast en gaat. Hij heeft twee routes, één lange en één korte. Hij kan kiezen. Elke ochtend kiest hij een route. Soms de lange, soms de korte. Dat hangt er vanaf hoe laat het is.

Vanochtend kiest hij de korte, het is namelijk al laat. Snel fietst hij de straat uit, het park in. Langs de heuvel, langs de vijver, tussen de bomen door. Onderweg komt hij de juffen van zijn oude basisschool tegen.

Na het park fietst hij door het winkelcentrum, het is nog rustig, de eerste winkels gaan net open. Hij ontwijkt nog net een peuter, fiets door en knalt met zijn voorband van het stoeprandje af. Eenmaal uit het winkelcentrum neemt hij de rotonde en rijdt nog net voor een toeterende stadsbus langs.

Het gaat er om spannen, de kerkklok geeft vijf minuten over acht aan. Snel fietst hij verder, zijn vinger aan zijn fietsbel, zijn haren in de wind. De korte route, dus met een scherpe bocht om het tankstation heen. Schuin over het parkeerterrein en daarna minstens één kilometer rechtdoor.

Hij is er bijna, eerst nog langs de weg met wegwerkzaamheden, bouwvakkers, stratenmakers, stinkende vrachtwagens en koffie. Altijd koffie. Elke ochtend, zo rond de klok van acht.

Na een aantal half geasfalteerde wegen voor het stoplicht linksaf. Hij ontwijkt drie brommers, twee fietsers en één scootmobiel.

Oké. Schuin oversteken, weer over een parkeerplaats en richting de fietsenstalling. In de fietsenstalling de fiets op slot, tas over de schouder en lopen.

Nog net voor de bel loopt hij naar binnen. Hèhè. Hij heeft het gehaald.

Of. Nee. Wacht. Was hij niet het eerste uur vrij?

Shit.

Tot over acht weken, Ameland!

Het stinkt hier. De geur van mensenzweet en diesel komt samen in mijn neus. Een klein beetje diesel en een heleboel mensenzweet. Het groepje mensen achter mij veroorzaakt de zweetlucht, dat denk ik, ze stralen het uit. Er zitten vier mensen, drie daarvan lijken elkaar te kennen. De vierde heeft het druk met zijn Iphone, speelt spelletjes, zit online, kijkt op youtube.nl en twittert.

Wat de andere drie mensen aan het doen zijn kan ik niet goed verstaan. De motor, die zo te horen vlak achter mij zit, maakt veel herrie. Logisch. De motor moet de boot, met twaalfhonderd mensen, met 19 km/h door het water varen. De reis van Ameland naar Holwerd, zondagmiddag, om vijf uur.

Bij de ingang van de pier stond een mevrouw mensen te tellen. Heel onopvallend. Onder haar oksel hield ze de klikker, elke ‘click’ stelde één persoon voor. Maximaal twaalfhonderd ‘clicks’.  Ik ben één van die twaalfhonderd ‘clicks’, de zweterige mensen achter mij ook. De man met de blaffende hond verderop ook.

Ik ga weer weg. Weg van Ameland. Weg van waar ik vier dagen terug heen ging. Ik ga Ameland missen, de mensen, het strand, de duinen, de zon en de zee.

Over acht weken kom ik weer, dan zit ik alweer op deze boot, maar dan de andere kant op.

Dan hopelijk zonder ‘klikkers’ en zweetlucht, Blaffende honden en huilende baby’s. Dan hopelijk met minder dan twaalfhonderd mensen op één boot. Dan hoop ik ook op Wi-Fi internet, zodat ik deze blog meteen online had kunnen zetten.

Tot over acht weken Ameland!

Zwemparadijs

Totale verveling overheerst hier. Het zwembad, met een diepte van 140 centimeter en een temperatuur van minstens 45 graden Celsius bevat naast een aantal kunststoffen matten niks extra’s. We komen hier al jaren, sinds het gebouwd is, zeven jaar geleden. In het pierenbadje staat een glijbaan, verder is het één bad, redelijk groot, maar zonder enige vorm van vermaak.

De eerste twintig minuten vermaken we onszelf nog wel. Wedstrijdje zwemmen, ‘wie kan het langst onder water blijven’ en het tellen van de dakplaten aan het plafond vullen die eerste twintig minuten. Daarna wordt het hard minder, spelletjes die vaak uitlopen op huilbuien worden verzonnen. Elkaar met een zo hoog mogelijke muur van water bespuiten bijvoorbeeld.

Vandaag ging het niet anders. De eerste twintig minuten verliepen vlekkeloos. Na twintig minuten had ik het gehad, mijn zusjes ook. Ik voelde de eerste huilbui in de lucht hangen en was van plan nog voor de uitbarsting weg te gaan. Gelukkig was mijn zusje mij voor, niet met een huilbui, maar met een oplossing.

Ze zocht in haar tas, ze zocht tussen haar kleren, ze zocht tussen mijn kleren, ze keek nog eens in de tas. Daar lag hij, geel van kleur, een stuiterbal.

Al gauw had ik een spel bedacht. Mijn zusje en ik vormden een team, mijn andere twee zusjes het andere team. De bedoeling was de stuiterbal van elkaar af te pakken. Het ging er wild aan toe, er ontstond een strijd. Chagrijnige moeders keken ons aan, maar wij hadden lol.

Mijn zusje stond op de kant, ik lag in het water, ik had de bal. Met een mooie boog gooide ik de bal naar mijn zusje. Ze ving hem niet. Nee, in plaats daarvan vloog de bal tegen de muur aan, kaatste terug, ging via de grond naar het plafond en verdween van mijn netvlies.

Drie verbeten gezichten keken mij aan, de bal was kwijt, onze enige bron van vermaak. Wij zoeken, mijn zusjes op de kant, ik in het water. Terwijl ik zocht keek ik naar mijn zusjes, die inspecteerden de tassen in het zwembad. Op zoek naar de verloren stuiterbal.

Na een kwartier zoeken hadden we nog geen stuiterbal. De bal was van mijn zusje, gisteren gekocht, van haar zakgeld. Voor dertig cent.

Dan breekt de hel los, één huilend zusje, verdrietig om haar verloren stuiterbal. Twee verveelde zusjes, zonder bron van vermaak.

Gauw weg hier.

Roze dames

Ik zit in het restaurant van het ziekenhuis. Mijn zusje en ik hebben zojuist wat met mijn moeder gegeten. Rond half één zit het restaurant helemaal vol. Allemaal artsen, doktoren, cardiologen, radiologen, verpleegsters en kraamvrouwen eten hun lunch op. Nu, rond tien over één is het een stuk rustiger. Mijn moeder is weer naar boven, samen met een aantal collega’s. Mijn zusje is naar de stad. Ik blijf nog even zitten, drink mijn laatste kopje thee op en sta op het punt om weg te gaan.

Toen kwamen ze aan het tafeltje naast mij zitten. Vier dames. Allemaal een roze shirt, roze broek. De oudste was, zo schat ik, vijfenveertig jaar. De jongste drieëntwintig. Ze vielen wel op, na al die witte jassen.

Ik haal uit de automaat nog een kopje thee. Het is toch gratis. Als ik terug ga valt het me op dat er geen personeel meer bij de kassa staat. Het restaurant is op mij en de vier ‘roze’ dames na helemaal leeg. Ik weet ineens waar de dames van zijn, het zijn de vrouwen van het restaurant.

Als ik weer zit luister ik naar hun gesprek. Dat is zeker boeiend. Eerst gaat het over de jongste vrouw, ik ben er van overtuigd dat zij stagiair is. Ik begrijp uit het gesprek dat ze door het hele ziekenhuis werkt, vandaag een dagje restaurant. Ik zie aan haar gezicht dat het haar niks bevalt, dat restaurant. De oudere vrouwen bevalt het duidelijk wel, enthousiast praten ze over magnetronmaaltijden, gebakken aardappelen en de houdbaarheidsdatum van frituurvet. Boeiend hoor.

Het gesprek wordt naarmate de tijd vordert steeds boeiender. Na ongeveer vijf minuten zijn we aanbeland bij het onderwerp ‘koffieautomaat’. De stagiair raakt geïnteresseerd, ze vraagt maar raak. “Kan je meerdere kopjes tegelijk zetten? Welke hendel is waarvoor?  Waarvoor is nou die ene knop aan de achterkant? ”

Het gezicht van de stagiair klaart helemaal op.

Ineens zie ik het; die werkt tot haar vijfenzestigste in het restaurant, net als de andere drie dames.

Revolutie

Binnen het onderwijs is een revolutie gaande, een revolutie waar mijn school sinds dit jaar aan mee doet. Eigenlijk sinds vorig jaar, na de zomervakantie. Ik begon met de derde klas van de havo, we verhuisden van het brugklasgebouw naar ‘het hoofdgebouw’ en met ons kwam er een nieuw product. Het product, bestaand uit één beeldscherm, één beamer, één computer en één groot bord hing in het Nederlands lokaal.

Het Nederlands lokaal, een stoffig hok aan de rand van het gebouw. Verafschuwd door menig leraar, mede door de niet werkende radiatoren. Om het lokaal nog wat leven in te blazen heeft de directie besloten er een digitaal bord neer te hangen. Dat was het product, één digitaal bord. Inclusief twee pennen.

Na de komst van het digitale bord was het ruzie. Elke leerkracht, schoonmaakster, onderwijsassistent en TOA (technische onderwijs assistent) wou werken in het Nederlands lokaal. Het bord was geweldig, spoedcursussen werden gegeven, youtube.nl werd populair onder leerkrachten.

Vanwege het grote succes besloot de directie de borden in de gehele school te plaatsen. Geen kantoor, kantine, klaslokaal of gymzaal kon nog zonder beamer. Geweldig. Fenomenaal. Revolutie. Innovatief. Het nieuwe lesgeven.

Zo dachten ze.

Nu, één schooljaar wijzer, zit ik zeven uur per dag naar zo’n digibord te staren. Vaak een zwart digibord. Negen van de tien keer is de batterij van de pen leeg, een tweede pen was te duur, het bestellen van één nieuwe pen lijkt eindeloos te duren. De creatieve docent Engels probeert in het computerprogramma, dat lijkt op paint, nog wel eens een aantekening met de muis te geven. Ongekend tekentalent verschijnt op het bord.

Mocht de pen wel werken is het lokaal vaak te licht. Zo’n beamer werkt met een lamp, schijnt de zon? Weg effect van lamp. Op het bord is nog net de taakbalk met het icoontje ‘start’ zichtbaar. Niet genoeg voor een aantekening over, ik noem maar iets, Logaritmen.

Sommige borden werken wel, prima zelfs. De zon schijnt niet, de pen werkt prima en ook het programma start feilloos op.

Het probleem is alleen dat juist in die lokalen een uitgekauwde lerares Duits zit die echt niet van plan is na vijfendertig jaar onderwijs een digibord te gaan gebruiken.

Weg revolutie.

Dat had ik dus nooit verwacht

We hebben het gehaald. Ik kan jullie nu vertellen dat je met 90 km/h op de snelweg langer onderweg bent dan wanneer je rijdt met 120 km/h, toch heeft het ook wel weer wat. Het is ook wel weer leuk om elkaar onderweg, zonder schreeuwen, te kunnen verstaan.

Maar oké, we zijn er dus. Zeeland. ‘De Soeten Heart.’ Na een reis van ruim drie uur, de tussenstop bij de Ikea Utrecht niet meegerekend, hebben we het vakantiepark bereikt. Aankomen op zo’n onbekend vakantiepark vind ik altijd geweldig. Zonder dat ik het door heb verwacht ik altijd al van alles, ik verwacht een bepaald soort mensen. Ik verwacht een bepaald soort huisjes. Ik verwacht een bepaalde sfeer. En nooit, maar dan ook écht nooit, is ook maar één van die verwachtingen uitgekomen.

Zo ook vandaag. We reden de laatste weg op, TomTom gaf aan dat we nog zevenhonderd meter voor de boeg hadden. Intussen reden we voorbij een vakantiepark, alleen maar houten bungalows. Meteen dacht ik dat het ons vakantiepark was, dat een van die bungalows voor ons zou zijn. Was wel apart, we moesten nog zevenhonderd meter. Dat bleek ook niet ons park.

Het park waar we wel moesten zijn zag er keurig uit. Het zag er niet uit als verwacht, wat dan weer wel verwacht was. Ik vond het park leuk, gezellig, gemoedelijk. Die stemming verdween plotsklaps toen de deur van de grote Volvo naast ons open ging en er een meneer met rode broek en gestreept overhemd uitstapte.

Intussen gingen opa en oma alles regelen, de gehuurde fietsen, de sleutel, de algemene parkinformatie, enzovoort. Na een minuut of tien in de auto te hebben gewacht was er nog niemand. Geen opa. Geen oma. Ik liet de auto even alleen en liep de receptie in. Een redelijk groot gebouw, maar te klein voor het aantal mensen. Overal mensen, allemaal precies om drie uur aanwezig, allemaal exact op tijd.

Wij dus ook, ook wij waren exact op tijd. Nadat opa en oma terugkwamen met de sleutel voor een huisje, begonnen we de auto uit te laden. Het huisje werd verkend, de slaapkamers werden verdeeld.

Na de verkenning van het huisje stapten we op. De C1000 in Renesse. Ik verwachtte een keurige winkel. Een rustiek dorpje, mooi en landelijk.

Toen onze auto het klinkerpad richting de c1000 naderde zag ik dat het helemaal vol stond met auto’s, Volvo’s. Uit één van de Volvo’s stapte de man met de rode broek.

Dat had ik dus nooit verwacht.

314 Liter

Lijkt veel, toch? 314 liter. Dat zijn toch twee volle ligbaden. Dat zijn toch driehonderdveertien pakken melk, elke dag één pak, dan drink je bijna een jaar melk.

Toch vond ik het niet veel, waarom niet? Ik was meer gewend. Veel meer. Ik was gewend aan vijfduizend liter. Minimaal. Vergeleken met dát is 314 liter natuurlijk kinderspel.

Toch moest ik het er mee doen, dat werd dus proppen. Ik zag de stapel kleren, daarna zag ik de tas. Iedereen had kunnen bedenken dat het nooit zou passen, maar ik niet. Op dat moment niet.

Bij broek nummer twee zat de tas vol, overvol. Er was nog maar één optie, ik moest kleren thuis laten. Niet dat ik dat heel erg vind hoor. Nee, ik ben geen vrouw. Toch voelde het vervelend, dit had ik nog nooit meegemaakt.

Het is ook wel weer leuk, om eens iets mee te maken wat een ander altijd mee moet maken. Om mee te maken hoe het is om een gewone personenauto te hebben.

Immers, niet iedereen heeft zo’n mooi wit Toyota busje.