Ongelooflijk maar waar (over een vrolijk Frans leven)

Het is ongelooflijk maar waar: vandaag is het negentien maart tweeduizenddertien. Even ongelooflijk en zeker niet minder waar is het feit dat ik nooit eerder zo’n stukje voor jullie heb getikt tijdens mijn tijd in Frankrijk. Het was vijftien december, inmiddels dus alweer ruim drie maanden geleden, toen ik Nederland uitzwaaide en in het vliegtuig stapte naar een Frans wintersportoord. Niet wetende wat mij te wachten zou staan.

Even ongelooflijk zal het voor jullie zijn dat ik dit stukje zit te tikken op het balkon van ons riante appartement, met uitzicht op de rode piste, terwijl de zon schijnt zodat ik de letters op mijn laptopscherm maar met moeite kan lezen. Maar het zal de overtreffende trap van ongelooflijk voor jullie zijn dat dit schitterende uitzicht weinig bijzonder voor mij is.

Ik kan het zo wegtekenen: rondom ons chalet de vier andere chalets van de résidence. Dan, op nog geen honderd meter afstand het liftgebouwtje met de instapplaats van de zespersoons-stoeltjeslift. De lift die een ruime honderd meter in hoogte stijgt, waarna hij uit mijn blikveld verdwijnt. Rechts naast de lift de rode piste, de dalafdaling. De piste met het bordje ‘for good skiers only’. De piste die ik de eerste anderhalve maand niet durfde te beskiën, maar waarlangs ik nu met gesloten ogen en gemiddeld zestig km/h zonder problemen naar beneden kom. Omdat het vannacht gesneeuwd heeft zijn alle bruine plekken weer verdwenen. Het skigebiedje waar de zespersoons-stoeltjeslift naar leidt, kan ik dromen. Elke hobbel, elke kuil en elke lift paal ben ik talloze keren in talloze omstandigheden gepasseerd.

Het is ongelooflijk hoeveel ik hier al meegemaakt heb. Ik heb kerst gevierd en het nieuwe jaar ingeluid. Ik heb me helemaal de barsten gewerkt en ik heb hele middagen op de piste gestaan. Ik ben talloze keren gevallen en me er regelmatig over verbaasd dat ik nog niets gebroken heb. Ik ben een behoorlijke skiër geworden, terwijl ik niets kon op de latten toen ik hier de vijftiende van december binnen kwam lopen. Ik heb wekenlang een hotelkamer met collega Daan gedeeld en ik heb tot half drie ’s nachts op hotelgasten gewacht. Ik heb ruzie met collega Anouk gemaakt, maar ben daarna weer vriendjes met Anouk geworden. Laat het d’r niet horen.

Ik heb leren kaarten, koken, skiën, schoonmaken, incasseren, sneeuwruimen, loslaten en vastbijten. Ik heb een beetje beter Frans leren praten. Ik heb geleerd om aardig te doen en ik heb geleerd om juist helemaal niet aardig te doen. Ik moet alleen het zemelen nog wel afleren, zeggen ze.

Eigenlijk komt dit alles maar op één ding neer: ik weet een beetje beter wat ik wil. Achttien juli tweeduizendtwaalf schreef ik dat ik niet weet wat ik in het tussenjaar wil doen en dat ik niet weet wat ik na het tussenjaar wil studeren, zo las ik net in mijn notitieboekje.

Nu weet ik het wel: ik ga op zoek naar een kamer en na de zomer vertrek ik naar Groningen. Bedrijfskunde aan de Universiteit: dat zal het worden. Het heeft veel gesprekken, goede adviezen, tests en oefeningen nodig gehad, maar nu heb ik mijn keuze gemaakt.

Het is ongelooflijk maar waar: het is vandaag negentien maart tweeduizenddertien. Dertig maart sluit het skigebied en daarmee stopt ook het skiën. Nog maar een paar dagen. Twaalf april ben ik weer terug in Nederland. Nog maar een paar weken.

Ongelooflijk. Maar waar.

 

Foto’s zien? Hier! 

Wij zijn de applausgeneratie

Ik surf naar Facebook. Een van mijn vrienden heeft een foto van het konijn van zijn zusje gepost. Vierendertig likes. Een andere vriend plaatste de status “Vanavond parrrrty! Chill man!”. Achttien likes en zeven positieve reacties.

We zijn hier getuige van de applausgeneratie. Een vreselijke generatie waar ik zelf bij hoor.

Vraag je ouders voor de grap eens om je kleutertekeningen. Ieder huishouden heeft dozen vol met kleutertekeningen. De één nog lelijker dan de ander, maar elke nieuwe creatie werd thuis met luid gejuich onthaald. De doos is “voor als je later groot bent, dan mag je het houden.”

En daar zitten we nog op te wachten ook, als applausgeneratie. Want sinds je ouders lyrisch reageerden toen je voor het eerst op het potje plaste, ben je verslaafd aan die bevestiging.

Jong & geweldig

Iedereen onder de achttien met een eigen laptop en een smartphone hoort bij de applausgeneratie. We zijn altijd sneller dan onze ouders geweest op de computer en we kijken al vanaf de peuterspeelzaal naar Pokémon. Ik erger me aan de applausgeneratie omdat ik mezelf erin herken. Ook ík hunker de hele dag naar aandacht en complimenten en doe alles om te laten zien hoe bijzonder ik wel niet ben.

Hoe gaat dit verder? Lees het hele verhaal op scholieren.com, en wel hier.

Beertje Colargol op avontuur

De Grote Baas komt naar me toe. ”Beertje Colargol, zou jij de melk even voor me kunnen pakken?” Ik kijk hem verbaasd aan. Hij giert het uit van het lachen. Ik sta wat onhandig met een pak melk in mijn handen te wachten tot het lachen over is. ”Je lijkt gewoon op Beertje Colargol,” zegt hij schaterend.

Tjeerd (de blogger die jullie al twee jaar lastigvalt) is geslaagd en neemt een tussenjaar. Momenteel vertoeft hij vier maanden in een Frans wintersportoord waar hij werken en skiën combineert. Op Scholieren.com lucht Tjeerd z’n hart over het harde werken en zijn belevenissen op de pistes.

Minder huilbuien

Ik heb dus besloten om in een wintersportoord te gaan werken. Van tevoren heb ik een keer met de baas en bazin af kunnen spreken, omdat ze toevallig in Nederland waren. Het was een goed gesprek en we spraken af dat ik van december tot april bij hen aan de slag zou gaan. Vanaf dat moment was het afwachten waar ik terecht zou komen. Ik was zenuwachtig over de collega’s, het weer, de pistes en het skiën.

Hoe gaat dit verder? Lees het hele verhaal op scholieren.com, en wel hier.

Een Franse nachtmerrie

Voordat ik naar Frankrijk vertrok, had ik een helder beeld van ‘de Fransman’: een rijke, getrouwde man die altijd een baret op zijn hoofd draagt. Hij ontbijt met croissants en versgeperste jus. Dit beeld is voorgoed overhoop gegooid dankzij de Franse kok op het vakantiepark: Christophe.

Tjeerd (de blogger die jullie al twee jaar lastigvalt) is geslaagd en neemt een tussenjaar. Het begin: twee maanden vakantiewerk in Zuid-Frankrijk. Hij lucht hier zijn hart over de belevenissen op het park.

Mislukte fransoos

Christophe (50) is een Fransoos die deze zomer voor het eerst op het vakantiepark werkt. Hij heeft voor dit baantje een aantal maanden in zijn twintig jaar oude auto geleefd. Zijn bezittingen zijn op één hand te tellen: hij heeft een grote, vieze hond, een stapeltje kleding (drie koksbroeken en twee T-shirts), een twintig jaar oude Peugeot, wat pakjes shag en een paar lege bierflesjes. Geen croissants en verse jus voor Christophe. En ’n baret draagt ‘ie al helemaal niet. Nee, Christophe is ietsjes anders..

Hoe gaat dit verder? Lees het hele verhaal op scholieren.com, en wel hier.

Mijn liefde voor boer Aad

Het is zondagavond. Ik zit met mijn familie voor de tv. Chips en cola vergezellen ons. Het Journaal is afgelopen en straks begint Boer Zoekt Vrouw.

Na bijna zes seizoenen is het programma weinig verrassend meer. Toch trekt ’t nog altijd miljoenen kijkers per week. Waarom kijken al die mensen er nog steeds naar? Waarom kijk ík nog?

Ik kijk niet omdat Yvon Jaspers zo mooi (gebotoxd) is en niet omdat er leuke vrouwen in beeld zijn (want die kiezen de boeren toch nooit uit). Niet vanwege die ene boer die wél vlot praat, niet vanwege de BZV-baby’s en ook niet omdat ik zo van koeien houd.

Sociaal-gestoord
Ik kijk omdat er elk jaar één boer opvalt omdat-‘ie zo vreselijk onhandig, sociaal gestoord, achterbaks en betweterig is, of slechts één gespreksonderwerp heeft. Of, bij voorkeur, een combinatie van dit alles is.

Hoe gaat dit verder? Lees het hele verhaal op scholieren.com, en wel hier.

Met de bijbel op vakantie

“1. In den beginne schiep God den hemel en de aarde.” (Bijbel, Genesis, pagina 7). Dit is de eerste en alles omvattende zin van de Bijbel die voor mij op het tafeltje ligt. De bijbel die ik gisteren, zaterdag, heb gekregen van een van de familie’s die het park ging verlaten. Ik heb me voorgenomen die bijbel, stukje bij beetje en vanaf het begin, te lezen. Inmiddels ben ik dus al voorbij de eerste zin. Een hele stap.

Twee weken geleden kwamen de negenenvijftig Nederlandse gezinnen aan. Midden in Zuid Frankrijk, op het Nederlandse park Vacance du Soleil, waar ik werk. Buiten miezert het als de gezinnen een voor een de sleutel komen halen. Ál deze gezinnen hebben een ding gemeen: ze hebben hun reis geboekt via de christelijke reisorganisatie Vakanz. Alle, ruim driehonderd, mensen op het park zijn overtuigd christen. Tot aan de recreatieteam-meisjes in de studio naast mij aan toe. Veel van mijn vooroordelen blijken die eerste dag waar; visjes op auto’s, rokken, kettinkjes met kruizen om de nek.

Ik zou nu kunnen omschrijven hoe de twee weken, dag na dag, zijn verlopen. Over het animatieteam dat christelijke liedjes met de kinderen zingt, de zondag waarop iedereen twee keer naar de kerk gaat en de zon die steeds feller gaat schijnen. Over de jongeren die geen televisie hebben maar wel uitzendinggemist kijken, de keer dat ik uit interesse mee naar de kerk ben geweest en alle gesprekken en verbaasde reactie’s die dat heeft opgeleverd. Maar dat alles doe ik niet. In plaats daarvan sla ik in dit verhaal twee weken over en beland ik bij de dag dat iedereen weggaat.

Vrijdag twintig juli, inmiddels al weer twee dagen geleden, vertrekt iedereen. Ik weet van bijna iedereen in welke bungalow ze zitten en bijna iedereen kent mij bij naam. Met een wat melancholisch gevoel zit ik voor de studio terwijl de auto’s een voor een toeterend het park uitrijden. De buurmeisjes zijn weg, voor even is het stil in en rond de studio. Praten over God gaat niet meer en is ook niet meer nodig. Het verschil tussen al deze mensen en mij was dat zij zonder twijfel konden praten over het bestaan van de Here Jezus, terwijl ik vooralsnog geen idee heb waar we na onze dood naartoe gaan. Dat is wat ze hun geloof noemen, het rotsvaste vertrouwen in God. In Jezus en in de waarheid van de bijbel. Als ik vroeg of het allemaal misschien wel eens verzonnen kon zijn was het antwoord was steeds hetzelfde: “God bestaat, als je zondigt en je niet laat bekeren kom je in de Hel, maar ook voor mensen die elke zondag twee maal naar de kerk gaan is het maar de vraag of er een stoel klaarstaat in de Hemel.”

Of het allemaal waar is weet ik nog niet. Eerst maar eens verder lezen in de bijbel. Ik ben inmiddels een paar zinnen verder: “10. (…) en God zag, dat het goed was.”

Hoezo ‘je durft niet’?

“Wat zeur je nou? Hoezo ‘je durft niet’? Wij hadden dit toch afgesproken, dan moet je het niet ineens anders willen. En je roept al weken dat je die Tuinstra zo’n zak vindt omdat-‘ie je een vier op die S.O. had gegeven.

En bovendien, wat kan er nou misgaan? Ja, god, tuurlijk kan de teamleidster binnen komen. Nou en? Die bitch durft toch ook niks met de hele klas tegenover zich.

Iedereen vindt ’t vet als we dit gaan doen, sterker nog: ze gaan er al vanuit. Die steunen ons echt wel. En Tuinstra verdient gewoon een lesje. Dit plan is zo fucking geniaal, en wij hebben het samen bedacht man. Je laat me toch niet in de steek nu?

Na zes jaar middelbare school zou Tjeerd met vlag en wimpel slagen voor het examen Mensenkennis. Probleemloos kruipt-‘ie voor Scholieren.com elke maand in het hoofd van een ander type scholier. Deze eerste keer: de etter van de klas.

Hoe gaat dit verder? Lees het hele verhaal op scholieren.com, en wel hier.

Workum: één van de elf steden

Eerder deze week zat ik al achter de laptop om een stukje te tikken over het schaatsen. Over een verlaten vennetje in Echten met schitterend ijs, de dichtgevroren Hoogeveensche vaart en het rumoer om de Elfstedentocht. Ik wou wat schrijven over noren, klapschaatsen en ijshockeyschaatsen, over het nostalgische buurtgevoel, het stukje van Nico Dijkshoorn en mijn eigen geklungel op het bevroren water. Maar toen er 343 woorden op het scherm stonden drukte ik op het rode kruisje zonder op te slaan. Het stukje had niet het ultieme schaatsgevoel. Misschien had ik nog niet het ultieme schaatsgevoel.

Ochtendgloren

Hoe anders is dat in Workum. Vrijdag vertrok ik met de trein naar pake en beppe, die aan het water in Workum wonen. Workum: één van de elf steden. Zaterdagochtend werd ik wakker in het huis aan het water in Workum en ik zag de zon boven het bevroren water staan. De goudkleurige zon, die langzaam omhoog kroop terwijl de eerste schaatser voorbij zoefde.

Dé route

 Een paar uur later trek ik mijn schaatsen aan en vertrek ik in de richting van het centrum van Workum: dé route op. Ik schaats mijn eerste meters Elfstedentocht en ik word ingehaald door een peloton mannen in schaatskledij met gestroomlijnde rugzakken. Aan de kant van het water is een man, doordeweeks boekhouder of automonteur, die als een kind zo gelukkig de sneeuw van de baan aan het vegen is. Workum leeft op (het ijs).

De route van de Elfstedentocht gaat dwars door het centrum. Een restaurant heeft tafeltjes en stoeltjes op het ijs gezet en verkoopt warme chocomel en snert voor een euro. De tafeltjes zitten vol. Op het ijs is iedereen druk met elkaar in gesprek. Ik zet mijn rood-wit-blauwe Fryslân-muts recht. Die durf ik in het Drentse Hoogeveen nooit op.

Moarn is neat, hjoed mat it barre

Buiten Workum bestaat er niets. Er is alleen het ijs, met scheuren, de bruggetjes waar je onderdoor moet kruipen, de mensen op én langs het ijs, de Elfstedentocht rijders, de kraampjes met warme chocomel en de zon in mijn gezicht. Het enige contact met de buitenwereld dat ik hoor is een man die zijn bliepende Nokia al schaatsend opneemt: “Ja, schat, Sa ist en net oars, want as ’t oars wie, wie t net sa. Moarn is neat, hjoed mat it barre.”

‘Elfstedentocht 2012’ is een onhaalbaar doel. Op het moment van schrijven staan de gemalen in Friesland weer aan en drupt een vies laagje sneeuw op het tweedehands ijs. Maar het gevoel zoals ik het in Workum even heb gevoeld (de zon, schaatsen over het gladde ijs, het remmen, het krakende ijs, het Fries, de gesprekken, de pijn in mijn knieën van het vallen door de scheuren en de Elfstedentocht rijders die ’t rustig aan doen) was het rasechte Elfstedentocht-gevoel.

Fryslân-muts

Het hoofdstuk ‘schaatsen’ is afgelopen. De Elfstedentochtkoorts is voorbij en de media kan zich weer op het niet-ijs-nieuws gaan richten. Mijn schaatsen gaan in de kast, maar de Fryslân-muts niet. Die ligt hier naast me en heeft door die paar kilometers Elfstedentocht een te grote emotionele waarde gekregen.

Misschien kan ik hem volgend jaar wel op – bij de Elfstedentocht 2013.

Het Filter

Ik heb iets ontdekt. Ik noem mijn ontdekking: het filter. Ik zou mijn ontdekking ook ‘De constante van Tjeerd’ kunnen noemen – in navolging van bijvoorbeeld de natuurkundige Planck die zijn ontdekking simpelweg ‘de constante van Planck’ noemde. Omdat ik het wat egocentrisch vind mijn uitvinding naar mijzelf te vernoemen, heb ik gekozen voor ‘Het filter’.

Het filter treedt vooral op bij sociale media. In ’t echte leven zie je het ook wel eens voorbij komen, maar sinds de komst van Twitter (dat ik eerder omschreef als een verveelde hangplek maar inmiddels toch weer doe) is het filter in al zijn hevigheid losgebarsten.

Waarschuwing: onderstaande kan voor mensen die zelf een filter hebben erg confronterend zijn en ik stel mezelf bij deze dan ook niet verantwoordelijk voor alle mogelijke consequenties.

Het filter filtert alle opmerkingen die een persoon wil maken. Alleen de opmerkingen die door het filter komen, halen de stembanden (ofwel: vingerkootjes, in het geval van digitale correspondentie). Sommige personen hebben een beroepsmatig filter, Juristen weten bijvoorbeeld exact wat ze wel en niet kunnen zeggen en gaan dan ook heel bewust met hun woorden om.

Ieder mens heeft in bepaalde mate een filter. Sterker, in de wetenschap heeft men het deel van de hersenen dat impulsen remt en bepaalde opmerkingen dus nooit de stembanden laat bereiken, zelfs een naam gegeven: De Prefrontale cortex. Vorig jaar met NLT geleerd.

Terug naar waar we gebleven waren. Dat filter. Ik zal wat voorbeelden geven: sommige mensen twitteren de hele dag dat ze heel moe zijn, anderen plaatsen om de minuut op Facebook dat ze een nieuwe koe met Farmville hebben gewonnen. Weer een ander houdt online niet meer op over het vele schoolwerk, achterstallige kappersbezoek, lekkere chocoladetaartjes of wekelijkse bij-voorbaat-dramatische huisartsenbezoek. Men wil alleen nog maar vertellen over wat men wil vertellen en men luistert niet meer naar elkaar.

Je zou het een vergaande vorm van egoïsme kunnen noemen. Ik noem het ‘Het filter’. Mijn ontdekking. Ik hoop dat je er iets aan hebt, niet alleen voor nu maar ook voor de rest van je leven.

Rijles in een Mercedes

Mijn linkervoet op de koppeling, mijn rechtervoet trillend boven het gaspedaal. De radio gaat aan en op het schermpje verschijnt: Q-music Flitslocaties.

Voor het eerst in mijn leven draai ik legaal een contactsleutel om. De motor is meteen aan.

Ik ruik niet langer alleen maar de krentenbollen van de instructeur, maar ook een vleugje benzine. Hij duwt de pook in de eerste versnelling en het enige wat ik moet doen is ‘de lantaarnpaal en het stoeprandje ontwijken’. Ik zie hoe het gaspedaal door de instructeur ingedrukt wordt en ik ontwijk de lantaarnpaal en het stoeprandje.

Ik mag het gaspedaal nu zelf indrukken. Hij schakelt. We rijden de straat uit. Koppeling – gas – versnelling twee. Ik druk ’t gas in en met een hoop gegrom en gebrul trekt de Mercedes op. Ik druk het gas verder in en de snelheidsmeter vliegt van de tien, naar twintig, richting dertig, voorbij de veertig en eindigt vlak boven de vijftig kilometer per uur. We halen een fietser in.

Hoe gaat dit verder? Lees het hele verhaal op scholieren.com, en wel hier.