‘Stamgast’ Willem deelt elk jaar fusten uit

Hele dagen slijt hij op de velden van voetbalvereniging The Knickerbockers. En als hij daar niet loopt, zit Willem Baksteen (63) waarschijnlijk op het bankje naast de kantine in het Sportcentrum. ‘Maar laatst kwam hij ineens niet meer opdagen. Bleek hij zijn been te hebben gebroken.’

Het is een wat vreemde verschijning, de man van een jaar of zestig die in de hal van het Sportcentrum zit. In zijn hand houdt hij een plastic boodschappentas, maar het ziet er niet naar uit dat hij gaat sporten. Ergens op wachten doet hij evenmin. Alle bestuursleden van de ACLO noemen hem bij zijn voornaam en praten over hem alsof hij er een beetje bij hoort. ‘Ach, Willem. Dat is Willem.’

Verder lezen? Dat kan hier

‘Laat dit een uur van verwondering zijn’

Ze is studente pedagogiek, maar staat elke twee weken in een kerk over God te vertellen. Jantine Huisman (24) heeft een bijbaantje als lekenpredikant. ‘Als gelovige is dit het mooiste werk dat je kunt hebben’.

Het is zondagmorgen, half tien. In Buitenpost – net over de grens met Friesland – zijn de straten leeg, maar in de doopsgezinde kerk aan de Julianalaan speelt het orgel om de eerste kerkgangers te verwelkomen. In de koffiekamer leest Huisman de preek nog eens door, zij leidt vandaag de kerkdienst.

Verder lezen? Dan kan hier

Het regent bonnen tijdens lichtcontrole

‘Politie! Even stoppen alstublieft, u hebt geen licht.’ Als de student – hockeystick onder de arm –dreigt door te fietsen: ‘U kunt beter naar mij komen, dan dat ik achter u aan moet.’ De boete is niet mis: Je kunt een container vol fietslichtjes kopen van de ruim zestig euro.

Het is donker en mistig, kwart over zeven ‘s avonds. Motoragenten Hans de Groot en Gerrit Spijksma houden een lichtcontrole aan de Oosterweg, zo’n vijftig meter van de Oosterbrug.

Verder lezen? Dat kan hier. 

Barman bij Happietaria

Het eten is er goedkoop, alle opbrengsten gaan naar het goede doel en het wordt volledig gerund door vrijwilligers. Maar hoe is het om er te werken? Ik wilde het weten en was een avond barman bij Happietaria. 

Vol enthousiasme hadden we ons opgegeven, mijn zusje en ik. Zij als pianiste, ik als barman. Leuk, dachten we toen, maar nu de avond daadwerkelijk voor de deur stond, zagen we er tegen op. Kan ze wel goed genoeg piano spelen om twee uren te vullen? En wilde ik mijn hele avond wel opgeven om vrijwillig te barren? Eigenlijk niet. Toch gingen we.

Verder lezen? Dat kan hier. 

Tjeerd, homo? Ja, echt.

‘Uit de kast komen’. Wat een rottige zin. Het televisieprogramma daarover – KRO’s Uit De Kast met Arie Boomsma – zit ik wel eens te kijken. Met kromme tenen. Laatst vertelde een van de jongeren in het programma aan zijn ouders dat hij homo was.

‘Was dit alles daar voor nodig?’ reageerde de vader, terwijl hij een blik wierp op de cameraploeg die in de kamer aanwezig was. ‘Dit had je toch ook tussen de bloemkool en het toetje door kunnen vertellen?’

Dus besloot ik dat maar te doen. Vrijdagavond, aan tafel. ‘Ik ben homo’.

Waarom? Het kwam door de krant die ik vrijdagochtend opensloeg. Pagina 1: ‘One more thing… De topman van Apple is homo. En hij is er trots op.’

In het stuk staat dat de CEO met zijn openbare coming out levens gaat redden. Homoseksuele jongeren plegen vijf keer vaker zelfmoord dan heteroseksuele jongeren, een derde van de homoseksuelen durft er op het werk niet vooruit te komen. ‘Dit is wereldwijd een belangrijke steun in de rug’, las ik.

Nee, ik ben er nog niet trots op. En makkelijker zal het leven er vast niet door worden. Maar ja, dat ik homo ben is mij inmiddels wel duidelijk. Mijn omgeving volgens mij ook, merk ik aan mensen die twijfelen aan dat voortdurend uitblijvende vriendinnetje.

Waarom dan nog langer om de hete brij heen draaien? Veel zal er niet door veranderen. Alhoewel? Een vrouw en kinderen zullen er dus nooit komen. En als enige zoon in de familie Wiersma moeten we nog iets verzinnen op het voortzetten van de familienaam. Maar dat is voor latere zorg.

In KRO’s Uit de Kast worden de kandidaten een maand later opgezocht. ‘Ik snap niet dat ik zo lang gewacht heb, om het te vertellen’, is steevast de reactie. Daar heb ik – gelukkig – geen last van. Hoewel ik al langer weet dat het zo is, ben ik nooit zo bezig geweest met verkering. ‘Wie weet’, dacht ik, ‘zet ik me wel ergens overheen en eindig ik later alsnog met een vrouw en kinderen.’

Maar het idee dat je dan – ver in de veertig, getrouwd, met een koophuis en drie kinderen – moet vertellen dat het al die jaren een Groot toneelstuk is geweest, leek me meer iets voor een matige B-film.

‘Dan moet het maar zo’, dacht ik in de trein onderweg naar huis. Onderweg naar dat moment, daar aan die eettafel. Helemaal zeker wist ik het, toen ik de laatste zin van het krantenartikel las. Een citaat van Martin Luther King:

‘Onze levens eindigen op de dag dat we zwijgen over zaken die ertoe doen.’

Liftavontuur [7/7]

Hier zouden de verhalen van de Franse boer, de superheld in de Citroën, de shag rokende lifter, Maria, Benoit en Marta moeten staan. Maar schrijven is schrappen. En soms betekent dat schrappen dat vijftien stukjes in één worden gegoten. Een paar zinnen in plaats van een uitgekauwd boekwerk. Hier het slotstuk van een paar prachtige dagen liften en couch surfen.

De lift van de Gregory & Patrick eindigt nogal wanhopig. Het tankstation waar we stranden is op het moment van schrijven waarschijnlijk failliet, want er komt nauwelijks een klant voorbij in de drie kwartier dat we langs de oprit staan te wachten. Net als we weg willen lopen (ja, waarheen eigenlijk?) stopt een auto met een Luxemburgs kenteken. De Franstalige Luxemburgse boer neemt ons mee naar het volgende tankstation, veertig kilometer verder. Intussen ziet-‘ie kans over z’n zojuist afgeronde verkoopdeal te vertellen. Deux mille trois cent quatre-vingt-dix-sept, hoeveel euro is dat ook alweer?

Bij het volgende tankstation – de Luxemburgse boer hebben we uitgezwaaid – wordt de situatie echt uitzichtloos. Een verlaten tankstation langs de snelweg, met een bordje ‘Parijs 246 km’. Verder niks. Gelukkig schijnt de zon. Na een uur wachten en krentenbollen eten komt een Franse superhéro de  parkeerplaats opgereden. ‘Allez-vous à Paris?’, vragen we. ‘Oui’, is het antwoord. We mogen meerijden met de superheld in de Citroën. Drie uur later worden we in het centrum van Parijs voor de deur van ons logeeradres afgezet.

De reis heeft dan exact dertien uur en vijftien minuten gekost.

In de drie volgende dagen zien we de Eiffel toren, het Montmartre, een Parijs appartement en kroegjes waar ze bier voor €9,- durven te verkopen. We fietsen (!) langs de Champs-Élysées en doen niet-toeristische boodschappen in een niet-toeristische supermarkt. Dan boeken we online een lift en reizen van Parijs naar Brussel. Daar wandelen we langs Manneke Pis (lelijk ding) en UNO’en met gastvrouw Marta. Een dag later het Belgische boemel-treintje van Gare Bruxelles Central naar Roosendaal en voilà, we zijn weer aux Pays-Bas.

Het waren drie prachtige dagen liften en couchsurfen. De zon scheen. Parijs lag er schitterend bij en in Brussel verkopen ze échte Belgische bonbons. Maar naast al die bezienswaardigheden ontmoet je al couch surfend en liftend vooral veel nieuwe mensen. De shag rokende lifter die aanbeveelt eens naar zijn huis in Marseille af te reizen, de Amerikanen die ons na vier minuten tot hun ‘new best friends’ promoveren, Maria en Benoit die hun bank aanbieden om op te blijven slapen en Marta die met UNO, Scrabble & Rummikub op de proppen komt.

Vrijdagmiddag, even voor half vier. Drie dagen na Bushalte Langendijk. De zon schijnt niet meer, in plaats daarvan glijden druppels langs het raam naar beneden. ‘Dames en heren, over enkele ogenblikken station Hoogeveen. Reist u met de OV-chipkaart en is Hoogeveen uw eindbestemming, vergeet dan niet uit te checken. Over enkele ogenblikken, Station Hoogeveen’.

Rick en Tjeerd gingen tussen de tentamens door low-budget op vakantie: per lift en bij mensen thuis op de bank reisden ze langs de hoofdsteden van Frankrijk en België. De komende dagen hier een reisverslag door de ogen van de mensen die ze ontmoetten. Vandaag deel 7: slotstuk

 

Gregory & Patrick

‘Ik zeg het je: een Lamborghini Huracán zal de plank vol-le-dig misslaan op een expositie als deze!’, roep ik mijn collega naast me geërgerd toe. ‘Merde! Kap nu toch eens met je wens auto’s tentoon te stellen op een beurs die niet voor niets gedoopt is tot ‘Festival de la Moto’ een paar jaar geleden!’ Ik kan mij de expositie van twee jaar geleden nog goed voor de geest halen. Patrick, de enorm gewaardeerde maar soms veel te koppige collega naast me, had een aantal nieuwe modellen van Aston Martin geregeld. Volgens hem zouden ze de expositie ‘alleen maar meer paardenkracht’ geven, zei hij dan met een knipoog. Het bleek een grote flop te zijn. Er waren zo goed als geen nieuwe kopers voor de prominente voertuigenbouwers en we leden dat jaar grote verliezen met de expositie. En nu wilde hij weer een Lamborghini!

Door Rick Terpstra

‘Greg, excusez-moi, ik moet niet telkens weer zo doordrammen. Laten we even rustig wat gaan eten bij het volgende tankstation in plaats van ruzie maken in een stoffige Renault Scenic op de ringweg rond Bruxelles.’ Hoorde ik dat nu goed? Biedt Patrick Chambeaux, de veteraan in het vak met zijn 57 jaren oud, mij, Greg, de nieuwkomer van 23 jaar, zijn excuses aan? En daarnaast een sandwich? Zonder dat hij het doorheeft schitteren mijn ogen, verborgen onder mijn splinternieuwe Ray-Ban. Ik draai de auto dus de parkeerplaats van de Texaco bij Bruxelles-Midi op. Mon dieu, denk ik terwijl ik uit de auto stap, de Renault Scenic is echt een zooitje. Dat dit überhaupt door het leven mag gaan als ‘auto van de zaak’.

Buiten op de parkeerplaats staan wat picknicktafels, er staat een speeltoestel en vooral veel vuilnisbakken. De zon brandt fel op het asfalt, maar toch besluiten we mijn sandwich en Patricks maaltijdsalade (ook zo’n typisch trekje van hem) aan één van de grijzige picknicktafels op te eten. Naast ons zit een jongen met een enorme backpack druk te bellen in een vreemde taal en verderop is een groepje Franse senioren in gesprek met hoogstwaarschijnlijk de vriend van de buitenlandse beller naast ons. ‘En?’, onderbreekt de één zijn telefoongesprek, vragend kijkend naar de ander. Deze schudt zijn hoofd en antwoord. Nu hoor ik het. Nederlands.

Terwijl Patrick zit te smullen van de zalm uit zijn maaltijdsalade stapt één van de twee, de prater, dus niet de beller, op ons af. ‘Bon appétit!’ klinkt het in keurig school-Frans en hij vraagt of wij richting Parijs gaan. Patrick kijkt nors op van zijn zo net nog heerlijke stukje vis. ‘We gaan richting Mons, wel die richting op dus! Jullie kunnen wel een stukje meerijden, ’t is alleen niet ver!’, antwoord ik, puur om Patrick te sarren. Patrick heeft een hekel aan lifters. Als kind van een rijke fabriekseigenaar heeft hij nooit iets anders dan luxe gekend. ‘Pas de problème,’ mompelt hij chagrijnig.

 

De jongens wachten keurig als trouwe Labradors tot we uit zijn gegeten en stappen dan bij ons in de ‘auto van de zaak’. We kunnen hem beter meteen omdopen tot ‘stofblik van de zaak’, wat een walgelijk stuk ijzer zeg. Aangezien onze woordenschat Nederlands nihil is, we te lui zijn om Engels te gaan proberen en de jongens hun Frans willen oefenen leggen we in onze eigen taal uit wat voor werk we doen. Dat we druk bezig zijn met het organiseren van een beurs voor motoren in Mons, België. Ik merk meteen dat dit ver buiten hun gebied van interesses valt dus ik probeer het gesprek te redden, en begin over hockey in Nederland. Als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn het ongemakkelijke stiltes.

Hiermee start ik een soort fonetisch klinkerspel tussen mij en één van de jongens, Hollandse clubnamen op zijn Frans is nou niet mijn specialiteit. Ik hockey zelf op vrij hoog niveau en probeer ze uit te leggen dat ik al op meerdere plekken in Nederland was geweest. Bloemendaal was niet zo moeilijk, Rotterdam en Tilburg waren ook nog wel te doen. Maar na alle ondergane pogingen had ik in ons spel nooit meer punten gevangen voor Oranje-Zwart. Misschien moet ik als Belg toch maar meer gaan doen aan mijn Nederlands.

Het laatste tankstation voor Mons zet ik ze uit de auto. Ik wens ze veel succes en Patrick vertelt ze dat ze moeten kijken naar Franse kentekenplaten. Dat die auto’s vast wel richting Parijs gaan. ‘Wat een uitgestorven bedoeling hier man, hier zullen ze wel even blijven hangen,’ zeg ik. ‘Goed, is niet ons probleem,’ grijnst Patrick.

‘Misschien worden ze wel opgepikt door een Lamborghini Huracán.’

Rick en Tjeerd gingen tussen de tentamens door low-budget op vakantie: per lift en bij mensen thuis op de bank reisden ze langs de hoofdsteden van Frankrijk en België. De komende dagen hier een reisverslag door de ogen van de mensen die ze ontmoetten. Vandaag deel 6: Gregory & Patrick

Bruno

De zon glinstert op de motorkap van m’n metallic-zwarte Mercedes E-klasse. Door de airco houd ik mijn hoofd – en de leren bekleding – koel. Pas over twee uur heb ik de volgende meeting, dus zet ik de cruise control af en stop ik voor Mechelen bij een tankstation voor een broodje deLuxe.picknickbank

Op een picknickbank naast het tankstation zitten twee jongens met een hele grote backpack. Ze spreken iedereen die het tankstation binnenloopt aan. ‘Rijdt u richting Brussel? Wij liften naar Parijs, mogen wij misschien een stukje meerijden?’ -‘Sorry, maar wij moeten er bij Mechelen al af’, hoor ik een van de voorbijgangers zeggen. ‘Ja, ja’, zeggen de twee tegen elkaar als ik voorbij loop; ‘bij Mechelen al van de snelweg af, maar hier uitgebreid broodjes eten. Verdacht…’

De twee spreken mij niet aan, dus stap ik maar op hen af. ‘Ik moet naar Brussel, willen jullie een stukje meerijden?’ Ik zie de verbazing in hun ogen als ik naar mijn Mercedes knik.

De verbazing wordt alleen maar groter als we op de snelweg zitten en ik de twee vertel dat deze auto volgende week wordt ingewisseld voor een nieuwe. ‘Ik werk bij een grote bank in Brussel als accountant, daar mag je elke twee jaar een nieuwe wagen uitzoeken..’ In mijn nek voel ik jaloerse blikken terwijl ik geluidloos optrek naar ruim honderdvijftig kilometer per uur.

Gelukkig hoeven we het niet alleen over auto’s te hebben, want zo interessant vind ik de PK’s in mijn Mercedes helemaal niet. Liever praat ik over mijn passie voor wielrennen, ‘dat doen jullie in Nederland bijna niet hè?’. ‘In Nederland voetbalt iedereen’, zegt een van de twee jongens. ‘Zeker en vast, aankomend weekeinde ga ik de 270 km van de ronde van België fietsen’, glimlach ik. Maar de twee hebben helemaal niet gehoord wat ik dit weekeinde ga doen. ‘Zeker en vast?’, vraagt er een verbaast. ‘In Nederland zeggen we altijd “vast en zeker”’

We zijn zo gezellig aan het kletsen over de wielertocht en de verschillen tussen België en Nederland dat ik besluit ze tot voorbij Brussel te brengen, ik hoef toch pas over ruim een uur bij mijn afspraak te zijn. Zodra we de ringweg van de Belgische hoofdstad voorbij zijn en de snelwegen alleen nog maar naar het zuiden leiden, stop ik bij een tankstation.

Ik geef de twee een hand. ‘Ik hoop dat jullie Parijs halen!’, glimlach ik.

‘Vast en..’, wil een van de twee zeggen, maar wordt onderbroken door de ander: ‘Zeker en vast’.

‘Zeker en vast!’

Rick en Tjeerd gingen tussen de tentamens door low-budget op vakantie: per lift en bij mensen thuis op de bank reisden ze langs de hoofdsteden van Frankrijk en België. De komende dagen hier een reisverslag door de ogen van de mensen die ze ontmoetten. Vandaag deel 5: Bruno.