Lente

Iedereen is lyrisch, iedereen is blij. Het is namelijk lente. Heel leuk, maar zo bijzonder is dat toch niet? Elk jaar wordt het lente.

Ik heb namelijk het idee dat er iets niet klopt. De afgelopen vier maanden was het winter. Althans, het sneeuwde en het vroor. Winter dus. Maar toen klopte er al iets niet, we hebben namelijk vier maanden vorst gehad, vier maanden vrieskou. Goed voor centimeters ijs. En terwijl half Nederland smacht naar een Elfstedentocht, is er geen moment, geen moment in vier maanden vorst, waarop dát kan.

Toen het nog oktober was, en iedereen afkoelde van een hete zomer, verlangden miljoenen mensen naar het eerste vlokje sneeuw. En daar was het dan, op een zaterdagnacht. Zondagmorgen vlogen deuren open, kinderen stormden naar buiten, bewapend met sleeën, sneeuwschuivers en dikke winterjassen, iedereen was blij.

Kinderen hebben voor het eerst in hun leven een witte kerst gezien. Hele volksstammen praten over het abnormale weer, iedereen is blij.

Begin januari sloeg de sfeer in Nederland een beetje om, mensen hadden het gehad. Ze willen weer zon, weer met-zonder-jas naar buiten. Ook kranten werden ongeduldig, duizenden woorden werden vuilgemaakt aan de te lange winter.

En nu, tsja. Het wordt lente. Daar is iedereen van overtuigd. Maar ik heb het idee dat er iets niet klopt, dat iemand een spelletje met ons speelt. Woensdag zat ik in T-shirt in de tuin. Donderdag was een regenbroek geen overbodige luxe.

Volgens mij zit hierboven iemand die ons heel hard aan het uitlachen is, iemand die ons als een voetbal heen en weer speelt tussen alle soorten weer. Regen, Zon, Onweer en sneeuw.

En we trappen er met zijn allen gewoon in.

Vliegende vliegen

Ik pak de gum van de vensterbank en draai hem om, een grote zwarte vlek zit eronder. Op de vensterbank liggen de resten van een vlieg.

We hebben Frans. Mijn lerares probeert onze aandacht erbij te houden door steeds te roepen dat we straks ‘eens even iets anders gaan doen’. Ik vertrouw het nu al niet, na vier jaar middelbare school weet ik dat ‘even iets anders’ vaak niet veel meer dan een liedje of gedichtje van maximaal 5 minuten op youtube is. En, al gaan we straks wat anders doen, die opmerking nodigt nou niet bepaald uit om dan nu heel hard aan het werk te gaan.
Ik zoek dus afleiding, afleiding van het eeuwige gewrarwel over grammatica, vervoegingen en werkwoorden. Die afleiding vind ik vaak wel, meestal bij mijn buurman, vaste collega tijdens Frans; Roel.
Ook deze les, we zijn druk in gesprek over alles wat niet met Frans te maken heeft. Vakantie, tussenuren, werk, leraren, huisdieren, broers en zussen. Je kan het zo gek niet bedenken, wij hebben het er over.
Plots wordt ons gesprek onderbroken, niet door klasgenoten, niet door onze lerares, niet door een trillend mobieltje. Nee, door een onverwacht lentetafereel. Er landt namelijk een vlieg op de ruit naast ons, een dikke langzame bromvlieg. En deze dikke bromvlieg komt ons tijdens zo’n les als deze erg goed uit.
Roel maait met zijn hand richting de vlieg, niet om hem meteen dood te maken, maar gewoon, om de vlieg even te pesten. De vlieg ziet de hand niet aankomen en vliegt op het allerlaatste moment omhoog, gaat over de kop, en landt op zijn rug op de vensterbank.
2 minuten gebeurt er helemaal niks, we kijken naar de vlieg. Dood. Dat kan niet anders. Geen enkel teken van leven. En dan, vanuit het niets, gaat de vlieg er van door. Hij beweegt. Hij loopt, hij vliegt. Roel en ik zijn er van overtuigd dat we zojuist de eerste toneelspelende vlieg hebben gevonden. Sommige kansen moet je niet aan je voorbij laten gaan, dit is zo’n kans. Weten wij veel in wat voor sbs6 live-show je hiermee beroemd kan worden, een vlieg die doet alsof hij dood is. Alles kan, alles mag bij sbs6.
We willen de vlieg vangen. Maar niet zoals normaal, hij moet namelijk nog leven. Roel verzint een plan, iets met een pen en plakband en een gummetje. Hij voert het plan uit, knutseld een kwartier lang aan zijn zelfbedachte vliegenvanger.
Dan is de vliegenvanger klaar, ik licht de voor- en achterburen in, iedereen moet toch weten wat wij aan het doen zijn. zes paar ogen zijn op de vlieg gericht, de vlieg die nietsvermoedend op de vensterbank zit. Roel brengt de pen dichterbij, haalt het plakbandje los en BOEM. Er ging iets niet goed, het gummetje viel van de pen af, boven op de vlieg.

Ik doe het ze niet na

13 mrt, 22:55
De les was bijna afgelopen. Mijn scheikundelerares kwam op ons afgelopen, op mij en mijn buurvrouw. Ze vroeg of we nog een gaatje in onze agenda hadden. 2 verbaasde gezichten. ‘Nou’, zei ze ‘lijkt het jullie leuk om een 3 vwo klas uitleg te geven over scheikunde, scheikunde in de 4e.’
Wij enthousiast, niet razend enthousiast, maar we vonden het leuk. 3e klassers, in een zogenaamd ver verleden waren wij dat ook.
Zo gaat dat, op een school. In de brugklas lijkt iedereen groot. In de 3e kijk je op tegen de 4e klas. Tenminste, zo ging dat bij ons.

Dus, terwijl we uitgingen van dat principe, accepteerden we het voorstel van mijn lerares. Wij, uit de 4e klas, zouden die ‘kinderen’ wel even vertellen wat scheikunde inhoudt, we hoefden ze niet lekker te maken, we moesten een realistisch beeld geven.

Wat we ook zouden vertellen, we verwachtten interesse. We verwachtten enthousiasme, we dachten dat we interessant waren.
Dus we gingen aan de slag. We hebben niet veel voorbereid, alleen het nodige. We moesten vertellen waarom we het gekozen hadden, wat we ervan verwachten en of die verwachtingen uitgekomen waren. Dat alles moesten we brengen in ‘een leuk jasje’, iets wat geen probleem was, ze vonden ons toch wel boeiend.

Daar stonden we dan, Marjolein en ik, voor 28 ‘kinderen’ te vertellen over scheikunde. We betrokken de klas bij ons verhaal, we lachten, we keken rond, we reageerden op vragen, vragen die er niet waren.
Daar stonden we dan, uit te leggen waarom koolstofatomen en watermoleculen in de 4e ineens wel interessant moesten zijn.

Die 20 minuten voelde ik me als een leraar, een saaie leraar, een leraar die dacht dat ‘ie’ wel even origineel was, dat iedereen hem automatisch boeiend vond, als een leraar zoals ik er zoveel ken.

Maar zo makkelijk is het niet, om een leraar te zijn. Om je klas te boeien. En vooral, om dat daarna nog 30 jaar lang vol te houden.

Ik doe het ze niet na.

Ramptoeristen

8 feb, 22:24
De bel gaat. Het 3e uur Nederlands deze week is afgelopen. Op de gang wens ik iedereen een fijn weekend toe, en loop rechtstreeks naar mijn kluisje. Daar aangekomen pak ik mijn jas, hang mijn tas over mijn schouder, en loop de school uit, richting mijn fiets. Het is onrustig bij de fietsenstalling, vrijdagmiddag twee uur, en iedereen wil zo snel mogelijk naar huis. Ik zoek mijn fiets op, haal hem van het slot, en loop met de fiets aan de hand richting de weg. De grote fietstassen, met als opdruk: ‘Hoogeveensche Courant’ bungelen over mijn bagagedrager. Ik stap op, en ga het fietspad op, richting Hoofdstraat.
Onderweg is het koud, het is nog geen 10 minuten fietsen, maar zonder handschoenen kunnen je handen in die 10 minuten flink verkleumen. Ik rijd over de schutstraat, auto’s en snelle fietsers halen mij in, ik heb niet zo’n haast. De route ken ik feilloos uit mijn hoofd, elke maandag en vrijdag. Dan fiets ik hier.
Op de rotonde fiets ik nog gauw voor een vrachtwagen langs. Nog 200 meter, dan ben ik er. Het is nu nog maar één rechte weg, ik tuur voor me uit, en het lijkt alsof er verderop heel veel mensen staan. Rustig fiets ik door. Ik zie het nu beter, en inderdaad, het staat hier helemaal vol met mensen. Ik kan niet zien waar ze naar kijken, ik kan niet zien hoeveel het er zijn, één ding weet ik wel; er is wat aan de hand. Langzaam fiets ik tussen de mensen door, in een winkelruit meen ik een blauw zwaailicht te zien, verbeelding?
Ik zet mijn fiets tegen een muur, en kijk om me heen. Een mevrouw loopt voorbij, ‘ze zijn er niet hoor, ze moesten eruit’. Mijn vragende blik heeft geen effect, want ze loopt rustig door. Ik besluit de opmerking van de mevrouw te negeren en gewoon naar binnen te lopen. De deur is niet op slot, ik loop naar binnen, en voel de vloer bonken, ik hoor de pers stampen en ruik de verse inkt. Door het raampje, dat aan het eind van de gang zit, zie ik dat de pers draait, er staan drie mannen bij, drie mannen die ik ken.
Ik loop door en open de volgende deur, de vieze inktlucht komt nu samen met het oorverdovende geluid. Drie paar ogen kijkt mijn kant op, en ik schreeuw naar één van de mannen: ‘Moesten jullie er niet uit? ‘Ja’ schreeuwt hij terug, ‘maar die kranten moeten toch gedrukt worden’. Hij pakt 79 kranten uit de lopende pers, en duwt ze in mijn handen. Twee ondeugende ogen kijken mij aan, een sigaret hangt in zijn baard, en boven op zijn verwilderde haren zit een ‘Hoogeveensche courant’ pet. Ik wens de man een fijn weekend toe, en loop naar buiten.
Buiten kijk ik nog eens goed naar de voorbijkomende massa, pak daarna mijn fiets, en stop de 79 kranten in de fietstassen. Dit alles duurt nog geen minuut, en intussen hoor ik een sirene, vlakbij. De kranten zitten in de tassen, en ik pak de fiets aan de hand en loop tegen de massa mensen in.
Steeds meer mensen, meer en meer, honderden holle ogen lopen voorbij. Uitdrukkingsloos. Ik loop de hoek om, en ik schrik. Het woonhuis boven de ‘skooter’ staat in lichterlaaie. Wel 4 brandweerwagens, een ladderwagen, 2 ambulances, politie, de hoofdstraat ziet blauw van de zwaailichten.

Ik stap op mijn fiets, en fiets de ramptoeristen voorbij. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een iphone, één twitter-applicatie staat open, en nog net lees ik de tekst, een tekst die over enkele seconden online gaat:

‘brand bij skooter in Hoogeveen, ben er bij, cool gezicht man!’

Omgekeerde wereld

23 jan, 16:56
Ik zit op de fiets, richting centrum. Mijn half bevroren vingers versturen hun 3e sms’je in een minuut, je moet toch wat met een ‘zorgeloos sms blox’. Allemaal sms’jes met onzin, flauwekul. Het is zaterdagmiddag, de wegen zijn druk, en het vriest een graad of 3. Een gure wind zorgt er voor dat het veel kouder aanvoelt, -13 volgens Piet Paulusma.

In de hoofdstraat aangekomen, blijkt het daar drukker dan verwacht. Het ziet zwart van de verkleumde mensen. Mensen die, eind januari, in de opruiming kleren kopen.

Ik zet mijn fiets tegen een boom aan, en doe hem op slot. Daarna voeg ik me bij de lopende massa, allemaal onderweg om geld uit te geven. Onderweg kom ik maarliefst 3 mensen tegen die hun GEWELDIGE krant willen verkopen, achtereenvolgens: dagblad van het noorden, de telegraaf en algemeen dagblad. Jammergenoeg val ik nooit in de doelgroep, dus krijg ik -of je moet er op mijn leeftijd expliciet om vragen- nooit een gratis krant mee.

Ik kijk dus even rond, en poster na poster schreeuwt om mijn aandacht. De meeste negeer ik, kreten als: ‘3 rokjes voor de prijs van 2’ zijn -zo denk ik er zelf over- niet voor mij bedoeld.

Uiteindelijk is er een winkel die mijn aandacht trekt, de jeanscenter. Een winkel die naast broeken, ook t-shirts,truien,riemen,rokjes,zonnebrillen,onderbroeken,vesten en jassen verkoopt, en toch ben ik waarschijnlijk de enige in héél nederland die de naam dan niet begrijpt. JEANScenter.

Maar oké, ik loop daar dus naar binnen, en het is er niet druk. 3 verkoop(st)ers, allemaal tussen de 20 en 25 jaar, helpen 3 klanten, 2 klanten -waaronder ik- kijken zonder de ervaring van een verkoop(st)er even rond. Ik loop naar het rek met het grote uithangbord: ‘VANAF 5 EURO’, en zoek naar iets wat bij mij past. Opvallend bij dit soort rekken is dat je heel erg je best moet doen om daadwerkelijk een artikel van 5 euro te vinden, om er daarna achter te komen dat er daar gewoon maar één van is.

Terwijl ik nog even rondzoek bij de ‘VANAF 5 EURO’ artikelen, komt er een forse mevrouw binnen. Écht fors. Enkele secondes later gevolg door een wat sullige meneer, bepakt met 2 grote vero-moda tassen. Ik kijk om, en schat in dat ze bij elkaar horen, waarna het meteen duidelijk is wie van de twee ‘de broek aan heeft’.

Ik zie de vrouw zoeken naar een goedkoop rek, één rek met 70% korting briefjes, met bruine overhemden. Daarna staat er op haar gezicht iets van wat je een teleurgestelde uitdrukking zou kunnen noemen. De man komt wat sullig naast haar staan, en nog geen seconde later loopt de vrouw resoluut de winkel in.

Met een half oog houd ik de vrouw in de gaten, met het andere oog zoek ik naar een geschikt t-shirt. De vrouw loopt recht de winkel in, om daarna een paar rekken uit te spitten. Ze kijkt bij de herenafdeling, waarschijnlijk op zoek naar een trui voor haar man, of vriend? De man sjokt sullig achter haar aan, de vrouw houdt een geel-groen geruit overhemd omhoog en kijkt haar man vragend aan, waarna hij zijn hoofd schud.

Dit tafereel herhaald zich een keer of 5,6, en langzaam komen ze dichterbij, mijn kant op. Ik hoor de vrouw nu praten, met een zwaar drenths accent, zeurend op de man. Ik sta nog steeds bij het ‘VANAF 5 EURO’ rek, en de vrouw staat nu aan de andere kant van dat rek. ‘Hier’ zegt ze, ‘Hier sien nog voal mear trui’n met’n kroagie’. De man knikt, en bekijkt de ‘trui’n met’n kroagie’ aandachtig. Dan ziet de vrouw mij, en ze glimlacht, ik glimlach terug, en groet haar. ‘hoi’. ‘Dag’ zegt ze, en daarna: ‘mannen, ze sien soms ook so lastig met kleer’n, wij vrouw’n ben veel sneller klaar, met’n tas vol!’ Verbaasd kijk ik haar aan, en probeer een glimlach tevoorschijn te halen. langzaam loop ik weg, naar de kassa, om af te rekenen. De vrouw zoekt stug door.

Buiten vraag ik me af; zouden vrouwen echt zó over ons denken?

De heuvel

17 jan, 21:25
Als ik op zolder ben, in mijn kamer, en ik ga op mijn tenen bij het dakraam staan, dan zie over de toppen van de bomen nog net ‘de heuvel’. En wanneer ik beneden ben, in de woonkamer, zie ik de hekken van de kinderboerderij, de kinderboerderij aan de rand van het park. Ik woon dus bij een park, verder is het hier heel normaal hoor, een doodnormale woonwijk in een stadje, ofwel dorp in Nederland.

Zo door het jaar heen gebeurt er met het park niet zo veel, allescon houdt de struikjes bij, om de zoveel tijd loopt er een verdwaalde hond, en ’s morgens is het ‘de’ vast route van veel scholieren.

Ik ben ook zo’n scholier, fietsend door het park, rond kwart voor acht ’s morgens, en rond een uur of 3 ’s middags. Altijd hetzelfde, ’s middags, variërend per dag, een basisschoolgroep op weg naar de bieb, en de typische gepensioneerde mevrouw, fietsend naar de c1000, om daar de vergeten pakken melk op te halen. Zoals ik al zei, niks bijzonders.

Ik zal nog wat meer over het park vertellen, iets nuttigs, iets inhoudelijks, iets waar je wat aan hebt. Er is een skatebaan, een redelijk grote vijver, er is een prachtige glijbaan, een speelvijver, met van die grote paddenstoelen, waarmee je droog aan de overkant kan komen. Er is een kabelbaan, en een kinderboerderij, een pittoresk bruggetje en een grasveld. Nog niet erg veel bijzonders, groot, kindvriendelijk, dat wel, maar niet veel uitzonderlijks.

Dan heb je de heuvel,van een moeilijk te schatten 4 verdiepingen hoge grasvlakte. Voor de heuvel ligt een groot grasveld, minimaal 100 meter lang, met hier en daar een boom.

Zomers begrijp ik die heuvel nooit, je kan er niks, hij is te stijl om van af te fietsen, futters met een hond -geef toe, dat zijn de enige fanatieke hondeigenaren- hebben te weinig conditie om die heuvel op te komen, en erg mooi is het ook niet. Als ik de heuvel zie, snap ik dus niet waarom hij er staat, zou er afval onder liggen, zo’n opslag? Ik kan me gewoon niet voorstellen dat er mensen zijn die die heuvel daar nuchter neer hebben laten zetten.

Nu is het winter, eerst vriest het wat, en door de opgevroren regen worden de wegen levensgevaarlijk. En dan, op een ochtend, je wordt wakker, opent het gordijn, en er licht sneeuw. Gewoon, sneeuw, wel 15 centimeter.

Nog verbaast van hoe de wereld er uit ziet, ren je terug naar boven, om broeken, sokken, truien, jassen en schoenen aan te doen. En met dikke handschoenen loop je richting schuur, op zoek naar de sneeuwschuiver. Na een paar minuten heb je hem gevonden, en net wanneer je hem onder de werkbank weg wilt halen, vallen je ogen op iets wat in de schaduw bijna niet te zien is. Het is een slee, zo’n oude.

En ineens, op dat ogenblik, vallen alle puzzelstukjes op hun plaats. Je ziet de heuvel voor je, de lelijke groene heuvel, dan de sneeuw, de heerlijke gladde, prachtige sneeuw. ten slotte zie je de slee, en met een grijns van oor tot oor loop je het park in, richting de heuvel.

Mijn tante

31 dec, 11:35
Ik zit in een auto, op de achterbank. We rijden richting Amersfoort, over de snelweg. In mijn oren zitten de dopjes van mijn MP-3 speler, en door het geluid van de top-40 heen, hoor ik de autoradio. Het 29 december is, en het zal niemand dan ook verbazen dat de top2000 uit de boxen komt.
Ik denk aan mijn tante, mijn tante op het vliegveld. Op weg naar Israël. Onze auto laat schiphol achter zich, en door het achterraam zie ik nog net een vliegtuig opstijgen, dat verdwijnt achter de bomen, en een flat.
En terwijl ik denk schrijf ik, iets wat niet aan te raden valt op de snelweg richting Amersfoort, in een ‘ietswat-ouder-model-toyota-busje’.
Dan zie ik mijn tante weer even voor me, en ik probeer te bedenken hoe ze er volgend jaar uit ziet. Ze zal wel bruiner zijn, en slanker, en ouder. één jaar ouder.
Mijn zusje vraagt me wat ik schrijf, en na mijn ‘korte’ antwoord, pakt ze haar Nintendo-DS uit de tas, en gaat één virtuele hond uitlaten, in een virtueel park. Boeiend.
We rijden Amersfoort binnen, gaan zo naar de IKEA, wordt ook weer wat. Het kastje, dat met een zuignap aan de voorruit zit, ratelt door over bochten en stoplichten over snelwegen en kruispunten.
Mijn tante zal nu wel bij de douane zijn, haar ’10-kilo te zware bagage’ wordt uitgepakt, ingepakt, en nog eens uitgepakt. Alleen haar tandenborstel kwam er niet door (zo hoorde ik later), één elektrische tandenborstel is natuurlijk ook levensgevaarlijk..
Heel schiphol is spastisch als het gaat om bommen, vertrekhal 3 staat vol met 25 militairen, die allemaal controleren of er ook mensen zijn met elektrische tandenborstels die de boel op kunnen blazen. Erg nuttig.
Over nog krap één uur stapt ze in een vliegtuig, wiens straalmotoren haar en haar bagage de lucht in duwen, op weg naar Israël.

Dag tante, tot over een jaar.