Categorie archief: School

Voor al die spannende dingen die er op school gebeuren.

Zo rond de klok van acht.

Hij pakt zijn fiets uit de schuur, maakt zijn fietstassen aan zijn bagagedrager vast en gaat. Hij heeft twee routes, één lange en één korte. Hij kan kiezen. Elke ochtend kiest hij een route. Soms de lange, soms de korte. Dat hangt er vanaf hoe laat het is.

Vanochtend kiest hij de korte, het is namelijk al laat. Snel fietst hij de straat uit, het park in. Langs de heuvel, langs de vijver, tussen de bomen door. Onderweg komt hij de juffen van zijn oude basisschool tegen.

Na het park fietst hij door het winkelcentrum, het is nog rustig, de eerste winkels gaan net open. Hij ontwijkt nog net een peuter, fiets door en knalt met zijn voorband van het stoeprandje af. Eenmaal uit het winkelcentrum neemt hij de rotonde en rijdt nog net voor een toeterende stadsbus langs.

Het gaat er om spannen, de kerkklok geeft vijf minuten over acht aan. Snel fietst hij verder, zijn vinger aan zijn fietsbel, zijn haren in de wind. De korte route, dus met een scherpe bocht om het tankstation heen. Schuin over het parkeerterrein en daarna minstens één kilometer rechtdoor.

Hij is er bijna, eerst nog langs de weg met wegwerkzaamheden, bouwvakkers, stratenmakers, stinkende vrachtwagens en koffie. Altijd koffie. Elke ochtend, zo rond de klok van acht.

Na een aantal half geasfalteerde wegen voor het stoplicht linksaf. Hij ontwijkt drie brommers, twee fietsers en één scootmobiel.

Oké. Schuin oversteken, weer over een parkeerplaats en richting de fietsenstalling. In de fietsenstalling de fiets op slot, tas over de schouder en lopen.

Nog net voor de bel loopt hij naar binnen. Hèhè. Hij heeft het gehaald.

Of. Nee. Wacht. Was hij niet het eerste uur vrij?

Shit.

Revolutie

Binnen het onderwijs is een revolutie gaande, een revolutie waar mijn school sinds dit jaar aan mee doet. Eigenlijk sinds vorig jaar, na de zomervakantie. Ik begon met de derde klas van de havo, we verhuisden van het brugklasgebouw naar ‘het hoofdgebouw’ en met ons kwam er een nieuw product. Het product, bestaand uit één beeldscherm, één beamer, één computer en één groot bord hing in het Nederlands lokaal.

Het Nederlands lokaal, een stoffig hok aan de rand van het gebouw. Verafschuwd door menig leraar, mede door de niet werkende radiatoren. Om het lokaal nog wat leven in te blazen heeft de directie besloten er een digitaal bord neer te hangen. Dat was het product, één digitaal bord. Inclusief twee pennen.

Na de komst van het digitale bord was het ruzie. Elke leerkracht, schoonmaakster, onderwijsassistent en TOA (technische onderwijs assistent) wou werken in het Nederlands lokaal. Het bord was geweldig, spoedcursussen werden gegeven, youtube.nl werd populair onder leerkrachten.

Vanwege het grote succes besloot de directie de borden in de gehele school te plaatsen. Geen kantoor, kantine, klaslokaal of gymzaal kon nog zonder beamer. Geweldig. Fenomenaal. Revolutie. Innovatief. Het nieuwe lesgeven.

Zo dachten ze.

Nu, één schooljaar wijzer, zit ik zeven uur per dag naar zo’n digibord te staren. Vaak een zwart digibord. Negen van de tien keer is de batterij van de pen leeg, een tweede pen was te duur, het bestellen van één nieuwe pen lijkt eindeloos te duren. De creatieve docent Engels probeert in het computerprogramma, dat lijkt op paint, nog wel eens een aantekening met de muis te geven. Ongekend tekentalent verschijnt op het bord.

Mocht de pen wel werken is het lokaal vaak te licht. Zo’n beamer werkt met een lamp, schijnt de zon? Weg effect van lamp. Op het bord is nog net de taakbalk met het icoontje ‘start’ zichtbaar. Niet genoeg voor een aantekening over, ik noem maar iets, Logaritmen.

Sommige borden werken wel, prima zelfs. De zon schijnt niet, de pen werkt prima en ook het programma start feilloos op.

Het probleem is alleen dat juist in die lokalen een uitgekauwde lerares Duits zit die echt niet van plan is na vijfendertig jaar onderwijs een digibord te gaan gebruiken.

Weg revolutie.

Vliegende vliegen

Ik pak de gum van de vensterbank en draai hem om, een grote zwarte vlek zit eronder. Op de vensterbank liggen de resten van een vlieg.

We hebben Frans. Mijn lerares probeert onze aandacht erbij te houden door steeds te roepen dat we straks ‘eens even iets anders gaan doen’. Ik vertrouw het nu al niet, na vier jaar middelbare school weet ik dat ‘even iets anders’ vaak niet veel meer dan een liedje of gedichtje van maximaal 5 minuten op youtube is. En, al gaan we straks wat anders doen, die opmerking nodigt nou niet bepaald uit om dan nu heel hard aan het werk te gaan.
Ik zoek dus afleiding, afleiding van het eeuwige gewrarwel over grammatica, vervoegingen en werkwoorden. Die afleiding vind ik vaak wel, meestal bij mijn buurman, vaste collega tijdens Frans; Roel.
Ook deze les, we zijn druk in gesprek over alles wat niet met Frans te maken heeft. Vakantie, tussenuren, werk, leraren, huisdieren, broers en zussen. Je kan het zo gek niet bedenken, wij hebben het er over.
Plots wordt ons gesprek onderbroken, niet door klasgenoten, niet door onze lerares, niet door een trillend mobieltje. Nee, door een onverwacht lentetafereel. Er landt namelijk een vlieg op de ruit naast ons, een dikke langzame bromvlieg. En deze dikke bromvlieg komt ons tijdens zo’n les als deze erg goed uit.
Roel maait met zijn hand richting de vlieg, niet om hem meteen dood te maken, maar gewoon, om de vlieg even te pesten. De vlieg ziet de hand niet aankomen en vliegt op het allerlaatste moment omhoog, gaat over de kop, en landt op zijn rug op de vensterbank.
2 minuten gebeurt er helemaal niks, we kijken naar de vlieg. Dood. Dat kan niet anders. Geen enkel teken van leven. En dan, vanuit het niets, gaat de vlieg er van door. Hij beweegt. Hij loopt, hij vliegt. Roel en ik zijn er van overtuigd dat we zojuist de eerste toneelspelende vlieg hebben gevonden. Sommige kansen moet je niet aan je voorbij laten gaan, dit is zo’n kans. Weten wij veel in wat voor sbs6 live-show je hiermee beroemd kan worden, een vlieg die doet alsof hij dood is. Alles kan, alles mag bij sbs6.
We willen de vlieg vangen. Maar niet zoals normaal, hij moet namelijk nog leven. Roel verzint een plan, iets met een pen en plakband en een gummetje. Hij voert het plan uit, knutseld een kwartier lang aan zijn zelfbedachte vliegenvanger.
Dan is de vliegenvanger klaar, ik licht de voor- en achterburen in, iedereen moet toch weten wat wij aan het doen zijn. zes paar ogen zijn op de vlieg gericht, de vlieg die nietsvermoedend op de vensterbank zit. Roel brengt de pen dichterbij, haalt het plakbandje los en BOEM. Er ging iets niet goed, het gummetje viel van de pen af, boven op de vlieg.

Ik doe het ze niet na

13 mrt, 22:55
De les was bijna afgelopen. Mijn scheikundelerares kwam op ons afgelopen, op mij en mijn buurvrouw. Ze vroeg of we nog een gaatje in onze agenda hadden. 2 verbaasde gezichten. ‘Nou’, zei ze ‘lijkt het jullie leuk om een 3 vwo klas uitleg te geven over scheikunde, scheikunde in de 4e.’
Wij enthousiast, niet razend enthousiast, maar we vonden het leuk. 3e klassers, in een zogenaamd ver verleden waren wij dat ook.
Zo gaat dat, op een school. In de brugklas lijkt iedereen groot. In de 3e kijk je op tegen de 4e klas. Tenminste, zo ging dat bij ons.

Dus, terwijl we uitgingen van dat principe, accepteerden we het voorstel van mijn lerares. Wij, uit de 4e klas, zouden die ‘kinderen’ wel even vertellen wat scheikunde inhoudt, we hoefden ze niet lekker te maken, we moesten een realistisch beeld geven.

Wat we ook zouden vertellen, we verwachtten interesse. We verwachtten enthousiasme, we dachten dat we interessant waren.
Dus we gingen aan de slag. We hebben niet veel voorbereid, alleen het nodige. We moesten vertellen waarom we het gekozen hadden, wat we ervan verwachten en of die verwachtingen uitgekomen waren. Dat alles moesten we brengen in ‘een leuk jasje’, iets wat geen probleem was, ze vonden ons toch wel boeiend.

Daar stonden we dan, Marjolein en ik, voor 28 ‘kinderen’ te vertellen over scheikunde. We betrokken de klas bij ons verhaal, we lachten, we keken rond, we reageerden op vragen, vragen die er niet waren.
Daar stonden we dan, uit te leggen waarom koolstofatomen en watermoleculen in de 4e ineens wel interessant moesten zijn.

Die 20 minuten voelde ik me als een leraar, een saaie leraar, een leraar die dacht dat ‘ie’ wel even origineel was, dat iedereen hem automatisch boeiend vond, als een leraar zoals ik er zoveel ken.

Maar zo makkelijk is het niet, om een leraar te zijn. Om je klas te boeien. En vooral, om dat daarna nog 30 jaar lang vol te houden.

Ik doe het ze niet na.