Categorie archief: Nieuw Zeeland

Mijn familie? Die zie ik dankzij een kabel onder de Grote Oceaan

(Maar volgend jaar ook weer een tijdje in het echt. Meer weten? Verder lezen!)

Op een avond, afgelopen winter, drong de magie van het wonder der techniek weer eens tot me door. Bij ‘jullie’, waar de (ge)tijden nogal anders lopen dan hier, was het ochtend en zomer. Mijn zusjes hadden vakantie. Maaike zat in Noorwegen, Aagje was in Frankrijk en Sietske liep door Groningen. En toen ging de telefoon.

Het was een inkomend WhatsApp-videogesprek. Toen ik opnam, zwaaiden er drie zusjes naar me. Allemaal vanuit een andere hoek van Europa, terwijl ik de besneeuwde bergtoppen van Queenstown nog maar eens liet zien.

Een (nog net) besneeuwde bergtop in Queenstown.

We kletsten wat, zoals we dat eigenlijk elke paar weken wel doen. Zo nu en dan haperde het beeld even, maar verder kon ik de wimpers van mijn zusjes bijna tellen.

Hoe kan dat eigenlijk, zo’n haarscherpe en vlotte verbinding? Ik zit immers 19.000 kilometer verderop. Dat zal wel via een satellietverbinding zijn, bedacht ik. Maar nee. Nieuw-Zeeland blijkt via onderzeese kabels verbonden te zijn met Australië.

Dat kan ik me nog enigszins voorstellen. Maar dan? Nou, daarna voert ons groepsgesprek via een 15.000 kilometer lange draad naar Fiji en Hawaï, om ergens aan de Amerikaanse westkust weer aan wal te komen. Vanuit daar flitsen de enen en nullen naar de Amerikaanse oostkust en hup, zo onder de Atlantische oceaan door.

D’r liggen wereldwijd nogal wat internetkabels onder water.

Het is nogal een absurd idee: dat ik via die onderzeese ‘levenslijn’ met Nederland verbonden ben. En het blijft wat dat betreft niet bij de wekelijkse gesprekken met de familie. Ook over de boerenprotesten, de ‘foutje, bedankt’-vliegtuigkaping op Schiphol en de motie van wantrouwen voor minister Bijleveld lees (of schrijf) ik dankzij een kabel op de bodem van de oceaan.

Dat Nieuw-Zeeland helemaal niet om de hoek ligt, valt vaak pas op als er eens iets níet via internet gaat. Zoals dat opgestuurde pakketje dat na twee weken nog niet bezorgd is. Of de brieven van de belastingdienst die ik hier pas door de bus krijg als de betaaltermijn al lang en breed verstreken is.

Natuurlijk ontkom je ook niet aan die afstand als je ‘m zelf moet overbruggen. Want of je nou via Los Angeles, Singapore, Dubai of Shanghai vliegt: minder dan 25 uur duurt ‘het tochtje’ nooit.

En hoewel ik niet zo’n zin heb in die reis, kijk ik er (nu alweer, ja) wel naar uit om iedereen weer een tijdje in het echt te zien. Want daar kan geen WhatsApp-videogesprek tegenop.

Zie jullie (op 20 mei 2020) op Schiphol!

‘Ladies and gentlemen, it’s going to be a bumpy ride’

Hoe het kwam dat ik 26 uur (en zes turbulente vluchten) nodig had om vanuit Nelson terug in Queenstown te komen (hemelsbreed nog geen 600 kilometer).

Een flinke draai naar links, een heftige zwiep naar recht. De motoren brullen, minderen vaart en brullen dan weer. We vliegen enkele tientallen meters boven de grond en gevaarlijk dicht langs de bergwand, hoewel die door de dichte bewolking ook maar nauwelijks te zien is.

Het vliegtuig schommelt heftig heen en weer. Dan voelt het net alsof we uit de lucht vallen. De piloten moeten dat ook gevoeld hebben, want ze breken de landing onmiddellijk af. De motoren brullen verder en met een hoop gewiebel laten we het vliegveld van Queenstown achter ons.

Zonovergoten badplaats

Het leek een paar uur eerder allemaal nog zo rooskleurig. Na een weekend bij vrienden in Nelson, verlieten Mike en ik de zonovergoten badplaats. Omdat er geen directe vliegverbinding tussen de twee plaatsen is, moet je overstappen in Wellington. Geen probleem, zo dachten we. En die aangekondigde storm? Die zal vast wel meevallen.

Alles leek nog koek en ei toen we uit Nelson vertrokken.

Nou gebeurt het wel vaker dat de landingsbaan in Queenstown voor problemen zorgt. Vliegtuigen kunnen er door de wind vaak maar op één manier landen, door vlak langs een steile bergwand te vliegen en daarna een scherpe bocht richting de (korte) landingsbaan te maken. Bij harde wind gebeurt het daarom nogal eens dat geen toestel aan de grond raakt.

Terug naar Wellington

Dat gebeurde ook onze vlucht. De piloot waagde het een tweede keer, vloog om de gebergtes heen en zette de landing opnieuw in. Ook die mislukte. Van al het geschommel tijdens die poging zou je spontaan vliegangst krijgen.

Het gevolg: ons vliegtuig keerde terug naar Wellington, waar het een paar uur eerder ook was opgestegen. Omdat het de laatste vlucht van de dag betrof en het weer niet op zou klaren, werd ons een hotelkamer en een vervangende vlucht naar Queenstown beloofd.

Prima! Maar omdat er geen directe vluchten beschikbaar waren, stelde Air New Zealand voor dat ik via Auckland terug naar Queenstown zou vliegen. Bij het ochtendgloren zat ik klaar in dat vliegtuig, maar toen begonnen de problemen pas écht.

‘Thank your for your patience’

De storm die ons er gisteravond van weerhield in Queenstown te landen, raasde nu over Wellington. Maar dat bleek niet het grootste probleem: een van de twee motoren van het toestel startte niet, waardoor we – al op de taxibaan – terug werden gesleept naar de gate. Twee uur (!) en een technische inspectie later, mochten we toch opstijgen.

Dit zijn slechts een paar van de instapkaarten die nodig waren om thuis te komen.

Toen we in Auckland aankwamen hadden we de vlucht naar Queenstown ruim en breed gemist. Samen met zo’n vijftig andere – uitgeputte – passagiers meldde ik me bij de enige open incheckbalie om een vervangende vlucht te regelen. Sommigen misten hun overstap naar Tokio, anderen die naar Fiji. Maar de meesten wilden, net als ik, naar Queenstown.

Noordereiland

Inmiddels hadden we overigens niet alleen de bestemming maar ook het vertrekpunt achter ons gelaten: Auckland ligt op het Noordereiland en een directe vlucht naar Queenstown duurt vanaf hier zo’n twee uur.

Maar directe vluchten naar Queenstown, die waren inmiddels allemaal vergeven. Mijn enige (en laatste) kans voor de dag: een vlucht naar Christchurch, om daar over te stappen op de vlucht naar Queenstown. Schoorvoetend accepteerde ik het aanbod – want wat kan je anders.

My itinerary.

Onderweg naar Christchurch zat ik naast een dame die in 1930 geboren werd, in ’63 voor het eerst eens in een vliegtuig zat en sindsdien nooit meer van haar vliegangst af was gekomen. Hoeveel ik ook praatte, de luchtzakken waar we voortdurend in terecht kwamen stokten haar adem zichtbaar.

Maar, om een toch al uit de kluiten gegroeid verhaal kort te maken: eind goed al goed. Ik ben thuis, ruim 26 uur na vertrek.

Ik had inmiddels verdorie in Europa kunnen zijn.

Zó ziet een landing in Queenstown er op een betere dag uit: 

De Nieuw-Zeelandse immigratiedienst vertrouwt niemand op z’n blauwe ogen. Zelfs mij niet

Ze drukt haar twee duimen nog eens in m’n buik, schijnt met een lampje in m’n oog en neemt m’n lichaamstemperatuur op. Als ze daarna glimlachend zegt dat ik een ‘tall and handsome Dutchman’ ben, geloof ik dat het met die medische keuring allemaal wel goed zal komen. Maar het hele grapje heeft dan al wel ruim 500 Nieuw-Zeelandse dollar gekost.

Toen ik anderhalf jaar geleden voor het eerst naar Nieuw-Zeeland kwam (met een toeristenvisum) en er vorig jaar weer heenvloog (met een vakantiewerkvisum), dacht ik nog niet zo na over alle mitsen en maren die er zijn als je hierheen wilt komen.

Voet aan de grond

Maar nu realiseer ik me hoe prachtig Nieuw-Zeeland is en hoe graag mensen hier daarom blijven wonen. Nee, niet alleen vanwege de uitgestrekte natuur en prachtige landschappen. Ook vanwege de vriendelijke mensen, de gemakkelijke levensstijl en de fantastische manier waarop het land georganiseerd is.

Vanuit alle hoeken van de wereld komen mensen daarom naar Nieuw-Zeeland. Maar dat het helemaal nog niet zo gemakkelijk is om hier vervolgens ook een voet aan de grond te krijgen, blijkt wel uit dit indrukwekkende interview dat vanochtend op RTL Nieuws verscheen.

Tulpen in Invercargill

In het kort: een Nederlands stel verhuist in 2016 naar Invercargill – inderdaad, nog geen twee uur van Queenstown en ook de plek waar Mike is opgegroeid – om er tulpen te verbouwen. Dat gaat ze voor de wind en op basis van hun bedrijf proberen ze een permanente verblijfsvergunning aan te vragen. Dat plan valt echter in het water als de vader van het gezin kanker krijgt en daardoor niet door de medische keuring komt.

Zo simpel is het dus: als je niet aan alle gestelde voorwaarden voldoet, ben je hier niet welkom. Dan maakt het helemaal niet uit hoeveel je verdient of waar je vandaan komt. Laat staan dat de immigratiedienst je op je blauwe ogen vertrouwt.

Tientallen selfies en bankafschriften

Mijn excuus om hier te blijven is het ‘partnership’ dat ik heb met Mike. Die hoeft niet officieel te zijn vastgelegd (godzijdank, want dat zou betekenen dat we pats-boem zouden moeten trouwen, ofzo), maar je moet wel met een heel arsenaal bewijsmateriaal komen.

Zo hebben we de afgelopen weken een dozijn brieven van vrienden en familie verzameld, die onze relatie bevestigen. We hebben bij de visumaanvraag tientallen selfies meegestuurd, naast de afschriften van ons gezamenlijke bankaccount, rekeningen van vluchten waar we samen in zaten, brieven die aan ons beiden geadresseerd waren en, jawel, gesprekken die we hadden via WhatsApp.

‘Genuine and stable’

Het hele pakket, inclusief een officieel vertaalde VOG-verklaring, ligt nu in afwachting van een antwoord bij de immigratiedienst. Door de recente aanslag in Christchurch heeft die het alleen zo druk met visumaanvragen van familieleden van de slachtoffers, dat de wachttijd is opgelopen tot bijna drie maanden.

Over de afloop maak ik me niet zo’n zorgen: een ‘genuine and stable relationship’ – de hoofdvoorwaarde voor een partnershipvisum – hebben we wel. Het kan alleen wel betekenen dat ik door de lange wachttijd m’n geplande vakantie in Europa moet verlengen, want totdat ik van de immigratiedienst een bevestigend antwoord krijg ben ook ik niet welkom in Nieuw-Zeeland.

Dag, mama!

Ik heb net mijn moeder uitgezwaaid.

Hè? Moeder? Uitgezwaaid?

Ja, toen ik in mei 2018 naar Nieuw-Zeeland vertrok, dacht mijn moeder al dat ze me gauw op zou komen zoeken. Ze pakte door, regelde midden in de donkere winter een paar weken vrij en vertrok naar het Land van de Lange Witte Wolk (Echt! Google maar!), daar aan de andere kant van de wereld.

Dat is nu drie-en-een-halve week geleden. Toch ietwat zenuwachtig (want: ‘Hi mum, this is Mike. And Mike, this is my mum’ – als dat maar goed gaat) stond ik toen op het vliegveld om haar op te halen.

Ik was het leven in Queenstown na ruim acht maanden inmiddels aardig ‘normaal’ gaan vinden. Met een groep Europese collega’s (bij de fancy golfclub) en een heerlijk baantje (bij Blendle) waar ik de Nederlandse ochtendkranten voor doorspitte, waande ik me nou niet echt aan de andere kant van de wereld. Tel daar die oh-zo-vriendelijke Nieuw-Zeelanders en de talloze Franse en Duitse toeristen bij en geen mens die nog doorheeft dat je ‘down under’ zit.

Totdat mijn moeder kwam, die zichtbaar van de ene verbazing in de andere viel, die vreselijk moest lachen om Mike z’n humor en die keer op keer over het uitzicht vanuit de woonkamer begon: ‘Zoiets vind je in Nederland nérgens.’

Daarom bij deze: een foto vanuit, jawel, de woonkamer

En dan was er nog dat online reisverslag dat ze bijhield. Bij iedere nieuwe post die ze plaatste konden we de ‘oehs’ en ‘aahs’ van familie en vrienden die het in Nederland lazen hier bijna hóren.

Misschien waren het simpelweg de plaatjes van zonnige stranden en azuurblauwe zeeën die midden in de Nederlandse winterdip zo’n enorme aantrekkingskracht hadden.  Maar tegelijkertijd realiseerde ik me dat Nieuw-Zeeland voor de Nederlander nou niet de meest logische vakantiebestemming is (want: 24 uur vliegen) en dat een kijkje in het leven hier dus best interessant kan zijn.

Helemaal als het gaat om het leven van twee mannen (wij dus), die samen in een enorm huis aan de rand van een meer wonen, met honderdvijftig cactussen en een kat en telkens andere AirBnB-gasten. Daar klinkt al bijna een boek in door.

Maar goed, zo’n boek ligt er niet zomaar. Dat moet je stap voor stap aanpakken. Daarom, de komende weken weer wat updates over mijn leven hier. Voor nu: Goede reis, mam! Zie je in mei in Nederland!

Er waren een heleboel redenen om het níet te doen

Toen ik vorig jaar voor zeven weken vakantie naar Nieuw-Zeeland vertrok, verwachtte ik niet dit stukje nu vanuit Nieuw-Zeeland te tikken. Mijn ouders onbewust misschien wel, want die zeiden allebei: ‘ik hoop niet dat je een leuke baan vindt of iemand tegenkomt waardoor je ernaar terug wilt’.

Het is immers wel héél ver weg, dat eiland aan de andere kant van de wereld. Dat eiland met die prachtige landschappen, zonder gevaarlijke dieren, waar iedereen vriendelijk is en Engels spreekt.

En als ik ergens níet naar op zoek was tijdens die vakantie, dan was het wel verkering. Ik vermaakte me uitstekend, had alle vrijheid, kon in de zomers en winters in Frankrijk werken en had net een half jaar in Parijs rondgefladderd. Daar was ik maar gestopt met daten, want wat als ik op Grindr of Tinder of in een bar ineens de ware zou ontmoetten.

Dan zou ik mijn hele leven op en neer moeten reizen tussen Parijs en Nederland. Dat leek gecompliceerd en onmogelijk.

Dus daar ging ik. Op naar Nieuw-Zeeland. Vier weken lang sliep ik in hostels en genoot ik met mensen die ik onderweg ontmoette van de adembenemende uitzichten en het lenteachtige weer. Alles liep gesmeerd.

En toen was daar ineens Mike. Eigenlijk dacht ik vanaf het allereerste moment al: O, oh, dit kon weleens helemaal escaleren.

Het is niet echt het typische ‘boy meets girl’ verhaal. Maar op de een of andere manier klopte alles. Drie weken cirkelden Mike en ik om elkaar heen en beleefden we een hoop gekke avonturen – waarover later vast meer.

Toen moest ik terug naar Nederland. Mike reisde mee naar Auckland, we namen afscheid en ik vloog terug naar Europa. In het vliegtuig onderweg naar Nederland whatsappte ik ‘m: ‘Zou 22 dagen samen genoeg zijn om alle plannen te veranderen?’ Uiteraard kreeg ik een ‘YES’ terug.

Ach, zeiden mensen, eenmaal terug in Nederland: ‘Vakantieliefdes zijn altijd leuk, maar ik zou het niet te serieus nemen’. En: ‘hoe moet dat als het wél serieus wordt? Nieuw-Zeeland is leuk voor een tijdje, maar niet voor altijd’, ‘En je studie dan?’, ‘En hoe zie je dat over tien jaar?’

Er waren simpelweg een heleboel redenen om het níet te doen. Maar er was één reden om het wel te doen.

En ik ben blij dat ik het gedaan heb.

Eindelijk! Een baantje! Maar dan…

Al bijna twee maanden ben ik in ‘The Adventure Capital Of The World’ en al bijna twee maanden ben ik op zoek naar een baantje. Wat daarbij niet echt helpt: in Nederland was mijn Bachelor Bedrijfskunde al zinloos, hier in Nieuw-Zeeland zie ik helemaal niet hoe dat papiertje ooit nog van pas kan komen.

Laat me het zo samenvatten: als je niet kunt plamuren/metselen/bouwen, geen schapen kunt scheren (echt!) en geen kamers schoon wilt maken blijft er in Queenstown maar één optie over: werk in een restaurant. En daar heb je geen Groningse Universiteitsdiploma voor nodig.

Maar goed, ik met mijn C.V. naar het dichtstbijzijnde steakhouse, naar de plaatselijke Italiaan en naar het lunchcafé. Overal hoorden ze glimlachend mijn verhaal aan – Travelled in New Zealand, fell in love, decided to come back, worked in hospitality before, sorry for my Dutch accent! – maar niemand belde terug.

Ik had de hoop al bijna opgegeven toen ik per toeval langs een recruitment poster liep voor een restaurant dat ‘soon opens in town’. Aziatische keuken, maar daar heb ik sinds mei ook een heleboel ervaring mee. Na nog een leugentje om bestwil over mijn cocktailkennis werd ik aangenomen als, jawel, (cocktail)bartender.

Eind goed al goed, zou je zeggen. Totdat de trainingsweek afgelopen maandag begon.

Dertig enthousiaste FOH (Front Of House) medewerkers in een chic zaaltje met dure wijnglazen waar we water uit mochten drinken. Hiërarchisch in groepjes opgedeeld: de foodrunners, waiters, bartenders, duty managers, assistant managers, venue manager, operation manager en training & development manager. Ik kreeg langzaam maar zeker jeuk.

De balans na drie dagen FOH-training: we hebben allemaal een woord gekozen dat we vinden passen bij het nieuwe restaurant (premium, fine dining, fun, experienced), we hebben een woord gekozen dat onze verwachting beschrijft (new friends, fun, teamwork, slechts één iemand durfde money te zeggen) en we hebben een mission-statement voor ons team gemaakt. We hebben nogal wat zinnige dingen geleerd, dus.

Het hoogtepunt kwam echter toen we het ‘begroeten van gasten’ gingen oefenen.

De assistent-venue-duty-manager: ‘Als gasten binnen komen is het belangrijk dat iedere employee ze begroet. Wij verwachten dat gasten binnen 5 seconden begroet zijn. Een goede manier om dat te doen: “Hi sir/madam, welcome in our restaurant. How was your weekend?”

‘En,’ vervolgt ze, ‘ik verwacht dat iedereen nieuwe gasten op deze manier groet.’

Dan kijkt ze bedenkelijk. ‘Maybe’, zegt ze, ‘moeten we dat toch anders doen en zes verschillende begroet-manieren uitschrijven. Want het is natuurlijk een beetje raar en onnatuurlijk als iedereen “Hi sir/madam, welcome in our restaurant. How was your weekend?” zegt.’

Iedereen in het zaaltje blijft stil, totdat het Ierse meisje tegenover mij diep zucht en hardop vraagt: ‘And what if we all just act like normal people?’

P.S. Sinds dit stukje, begin mei, heb ik hier niets meer van me laten horen. Voor iedereen die zich zorgen maakt: ik ben (nog steeds) verliefd, er ligt genoeg sneeuw op The Remarkables om fatsoenlijk te kunnen skiën en in Queenstown is het zonnig en lente-achtig winterweer.

Hot water

De rode draad van de afgelopen dagen? Heet water.

Nieuw-Zeeland ontstond miljoenen jaren geleden toen de Pacifische schol op de Australisch-Indische schol botste – of erlangs schoof, ik ben nooit zo goed in aardrijkskunde geweest. Het gevolg? Op het noordereiland vind je een vulcanisch gebied van dertig kilometer breed en tachtig kilometer lang, met aan de oppervlakte een heleboel ‘surrealistische acitiviteit’.

De eerste stop: Coromandel. Waar we ’s morgens in het hostel worden opgeschrikt door het alsmaar loeiende tsunami-alarm – dat ‘gelukkig’ ook gebruikt blijkt te worden door de plaatselijke brandweer, omdat niet alle vrijwilligers een mobieltje hebben. De tsunami blijft dus uit en wij rijden de bergen in, op weg naar Hot Water Beach.

Na de eerste paar haarspeldbochten valt direct op dat de bergwegen in Nieuw-Zeeland anders zijn dan de bergwegen in Frankrijk. Er ligt niet overal asfalt, maar op honderden meters hoogte bestaat het wegdenk voornamelijk uit losse steentjes, gravel, waar je zo lekker met een aangetrokken handrem door de bochten kunt driften.

Ik ben dan ook blij als we goed en wel op het Hot Water Beach staan.

Het strand lijkt van een afstandje ‘ordinair’; azuurblauwe zee, een paar palmbomen en golfen om op te surfen. Maar dat is het niet. Om ons heen staan pakweg honderd volwassenen met schepjes kuilen in het zand te graven. Door de geothermische activiteit is het grondwater 60’C, en als je hier 2 uur voor of na laagwater een kuil graaft, komt het hete grondwater omhoog en heb je je eigen gratis heetwaterpoel.

Dat doen we, met veel plezier, totdat het heetwaterstroompje opdroogt en de sfeer op strand langzamerhamd grimmiger wordt, omdat een Indiër het hete water van twee Australiërs inpikt en drie Britten hun koudwaterpoel legen in andermans lauwwaterpoel. Tijd om te gaan.

De volgende stop, van maarliefst vier dagen, is in Nieuw Zeelands vulkanische hoofdstad Rotorua. Dit is niet alleen Nieuw Zeelands meest bezochte plaats, maar vooral een bezoek waard omdat mijn oud-klasgenoot Sophie er woont! Ze is een Nieuw-Zeelander, we studeerden samen in Grenoble, en ze woont in een enorm huis aan de rand van de stad.

Dankzij Sophie duik ik in een spa met uitzicht op het meer (2 uur lang het paradijs op aarde, totdat er een buslading Chinese toeristen wordt losgelaten), zwem ik midden in een bos in water van 45’C, bezoek ik enkele kraters en modderpoelen in een nogal toeristisch park en fiets ik een middag op een mountainbike die duurder is dan mijn huurauto. Sophie werkt namelijk voor een mountainbike zaak, en met meer dan tweehonderd (!) kilometer mountainbiketracks in het bos naast Rotorua is dat zo gek nog niet.

Vanuit Rotorua draaide ik vanmiddag de state highway 1 op richting het nationale park, waar het regent en ik daarom maar één nacht blijf. Bij aankomst in het hostel stond er een borrelende hottub klaar. Eén keer nog in het hete water, en dan is het echt tijd voor het volgende avontuur:

Hoofdstad Wellington en het Zuidereiland.

Internationaal rijbewijs

Ik zet mijn allerschattigste puppy-ogen op. “Er staat toch Driving License op mijn pasje, maakt dat het geen internationaal rijbewijs?” Maar deze dame is onverbiddelijk, en kan helaas niks anders doen dan mijn Nederlandse pasje voor 49 luttele dollars laten vertalen. Dan was dat gratis kopietje van de ANWB toch wel handig geweest.

De afgelopen dagen in NZ’s grootste stad, Auckland, en haar winterloze noorden, Bay of Islands, waren een goede introductie tot het land. Het barst er van de backpackers die driftig zoeken naar een Working Holiday baantje, Fransen die graag hun Engels op willen halen en daarom enkel Frans met Fransen praten en duikleraren die in hostels wonen.

In zo’n hostel hoef je maar aan de ontbijttafel te gaan zitten of je hebt er vijf vrienden voor het leven bij. Dat is misschien wat overdreven, maar aan potentiële reismaatjes geen gebrek. Veel van hen nemen de bus, hoppen-off, blijven een paar nachten slapen en hoppen weer op. Georganiseerde tours, waarbij je langs alle hoogtepunten van NZ gereden wordt. Als ik vraag waarom ze niet per auto zijn gegaan zeggen veel dat ze dat alleen niet aandurven. Wat als-‘ie kapot gaat? En lukt dat links rijden wel?

Dat wil ik nou juist wel eens proberen. En dus huur ik een auto. Dan kan ik naar Coromandel rijden, door naar Rotorua, stoppen bij lake Taupo en eindigen in Wellington, voordat ik aan het zuidereiland begin. En onderweg eens ergens picknicken, een bochtje omrijden of van het uitzicht genieten.

In de bus naar de Car Rental zit ik naast een Duits meisje die met een vriendin naar Coromandel wil, maar geen geschikte busverbinding kan vinden. En zo zit ik een tijdje later, nadat de $49 betaald is, met een Duits en een Frans meisje de Introduction movie to driving in New Zealand te kijken. Zodra we de gehuurde Toyota de weg op draaien – links, links, links – weet ik dat het een goed idee is. Als we even later de prachtige kustweg naar Coromandel nemen, weet ik het zeker.

Alleen iedere keer als ik rechtsaf wil slaan, gaan de ruitenwissers aan.

P.S. Wi-Fi is hier nogal schaars, maar ik probeer hier foto’s te plaatsen.

Zeelucht

“Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren en wie niet vliegt van zijn plaats?”

Het is 00.15 en ik heb net anderhalf uur “geslapen” op 10.000 meter hoogte als de cabineverlichting aangaat en de KLM-stewardess glimlachend ‘goedemorgen’ zegt. Lokale tijd in Kuala Lumpur: 6.15, de daling wordt ingezet.

10 uur later: het is 10.15 in Nederland, 16.15 in Kuala Lumpur en 21.15 in Auckland en de Maleysian Airlines Airbus vliegt ergens tussen al die tijdszones in boven Australië en ik moet er nog drie uren inzitten.

4,5 uur later: het is 01.45 in Auckland als ik in rij 1 voor de speciale gevallen bij de douane sta. De in oranje geklede monnik naast mij staat tussen tientallen glazen potten in hakkelend engels uit te leggen wat voor soorten vis erin zit. Ik sta hier omdat er zand op mijn wandelschoenen zit. En dat moet eraf.

En dan, eindelijk, ruim 26 uur na vertrek, is daar het bordje ‘way out’. Ik stap de aankomsthal uit en realiseer me dat het aan de andere kant net zo ruikt als op Ameland.

Nieuw-Zeeland

Het ligt aan de andere kant van de wereld. Het is zeven keer groter dan Nederland en er wonen vier keer zo weinig mensen. De eerste bewoners kwamen er pas duizend jaar geleden aan. Er zijn hele bijzondere bomen, zeldzame vogels en een hele lange kustlijn. Je kunt er walvissen spotten, bungeejumpen en met een camper rondrijden. Er woont één iemand die ik ken, en zeven mensen die ik ken hebben er ooit rondgereisd. Die zeiden dat het de mooiste reis van hun leven was. Verder weet ik eigenlijk niks van Nieuw-Zeeland.

Donderdagochtend vertrek ik. Schiphol-Kuala Lumpur-Auckland. 2 vliegtuigen. 22 vlieguren. 11 tijdszones. Ik blijf zeven weken in Nieuw-Zeeland. Alleen de eerste twee nachten weet ik waar ik slaap, daarna is er nog geen plan.

Het had niet veel gescheeld of ik was helemaal niet naar Nieuw-Zeeland gegaan. Ik zou namelijk in Rotterdam gaan wonen en Finance&Investments gaan studeren. Ik zou nu druk moeten zijn met capital budgeting, de Time value of money en de Measures of leverage.

Maar hoe langer ik aan die studie Finance dacht, hoe minder zin ik erin kreeg. Des te meer zin kreeg ik om eens naar de andere kant van de wereld te vliegen.

Dat gaat dus donderdag gebeuren. De National Geographic reisgids staat op de e-reader en de Lord Of The Rings op de tablet. Of Nieuw-Zeeland echt lijkt op de fantasiewereld van Lord of The Rings? Dat, en meer reisbelevingen, zal ik delen via dit blog.

À bientôt!