Alle berichten van tjeerdwiersma

Tot over acht weken, Ameland!

Het stinkt hier. De geur van mensenzweet en diesel komt samen in mijn neus. Een klein beetje diesel en een heleboel mensenzweet. Het groepje mensen achter mij veroorzaakt de zweetlucht, dat denk ik, ze stralen het uit. Er zitten vier mensen, drie daarvan lijken elkaar te kennen. De vierde heeft het druk met zijn Iphone, speelt spelletjes, zit online, kijkt op youtube.nl en twittert.

Wat de andere drie mensen aan het doen zijn kan ik niet goed verstaan. De motor, die zo te horen vlak achter mij zit, maakt veel herrie. Logisch. De motor moet de boot, met twaalfhonderd mensen, met 19 km/h door het water varen. De reis van Ameland naar Holwerd, zondagmiddag, om vijf uur.

Bij de ingang van de pier stond een mevrouw mensen te tellen. Heel onopvallend. Onder haar oksel hield ze de klikker, elke ‘click’ stelde één persoon voor. Maximaal twaalfhonderd ‘clicks’.  Ik ben één van die twaalfhonderd ‘clicks’, de zweterige mensen achter mij ook. De man met de blaffende hond verderop ook.

Ik ga weer weg. Weg van Ameland. Weg van waar ik vier dagen terug heen ging. Ik ga Ameland missen, de mensen, het strand, de duinen, de zon en de zee.

Over acht weken kom ik weer, dan zit ik alweer op deze boot, maar dan de andere kant op.

Dan hopelijk zonder ‘klikkers’ en zweetlucht, Blaffende honden en huilende baby’s. Dan hopelijk met minder dan twaalfhonderd mensen op één boot. Dan hoop ik ook op Wi-Fi internet, zodat ik deze blog meteen online had kunnen zetten.

Tot over acht weken Ameland!

Zwemparadijs

Totale verveling overheerst hier. Het zwembad, met een diepte van 140 centimeter en een temperatuur van minstens 45 graden Celsius bevat naast een aantal kunststoffen matten niks extra’s. We komen hier al jaren, sinds het gebouwd is, zeven jaar geleden. In het pierenbadje staat een glijbaan, verder is het één bad, redelijk groot, maar zonder enige vorm van vermaak.

De eerste twintig minuten vermaken we onszelf nog wel. Wedstrijdje zwemmen, ‘wie kan het langst onder water blijven’ en het tellen van de dakplaten aan het plafond vullen die eerste twintig minuten. Daarna wordt het hard minder, spelletjes die vaak uitlopen op huilbuien worden verzonnen. Elkaar met een zo hoog mogelijke muur van water bespuiten bijvoorbeeld.

Vandaag ging het niet anders. De eerste twintig minuten verliepen vlekkeloos. Na twintig minuten had ik het gehad, mijn zusjes ook. Ik voelde de eerste huilbui in de lucht hangen en was van plan nog voor de uitbarsting weg te gaan. Gelukkig was mijn zusje mij voor, niet met een huilbui, maar met een oplossing.

Ze zocht in haar tas, ze zocht tussen haar kleren, ze zocht tussen mijn kleren, ze keek nog eens in de tas. Daar lag hij, geel van kleur, een stuiterbal.

Al gauw had ik een spel bedacht. Mijn zusje en ik vormden een team, mijn andere twee zusjes het andere team. De bedoeling was de stuiterbal van elkaar af te pakken. Het ging er wild aan toe, er ontstond een strijd. Chagrijnige moeders keken ons aan, maar wij hadden lol.

Mijn zusje stond op de kant, ik lag in het water, ik had de bal. Met een mooie boog gooide ik de bal naar mijn zusje. Ze ving hem niet. Nee, in plaats daarvan vloog de bal tegen de muur aan, kaatste terug, ging via de grond naar het plafond en verdween van mijn netvlies.

Drie verbeten gezichten keken mij aan, de bal was kwijt, onze enige bron van vermaak. Wij zoeken, mijn zusjes op de kant, ik in het water. Terwijl ik zocht keek ik naar mijn zusjes, die inspecteerden de tassen in het zwembad. Op zoek naar de verloren stuiterbal.

Na een kwartier zoeken hadden we nog geen stuiterbal. De bal was van mijn zusje, gisteren gekocht, van haar zakgeld. Voor dertig cent.

Dan breekt de hel los, één huilend zusje, verdrietig om haar verloren stuiterbal. Twee verveelde zusjes, zonder bron van vermaak.

Gauw weg hier.

Roze dames

Ik zit in het restaurant van het ziekenhuis. Mijn zusje en ik hebben zojuist wat met mijn moeder gegeten. Rond half één zit het restaurant helemaal vol. Allemaal artsen, doktoren, cardiologen, radiologen, verpleegsters en kraamvrouwen eten hun lunch op. Nu, rond tien over één is het een stuk rustiger. Mijn moeder is weer naar boven, samen met een aantal collega’s. Mijn zusje is naar de stad. Ik blijf nog even zitten, drink mijn laatste kopje thee op en sta op het punt om weg te gaan.

Toen kwamen ze aan het tafeltje naast mij zitten. Vier dames. Allemaal een roze shirt, roze broek. De oudste was, zo schat ik, vijfenveertig jaar. De jongste drieëntwintig. Ze vielen wel op, na al die witte jassen.

Ik haal uit de automaat nog een kopje thee. Het is toch gratis. Als ik terug ga valt het me op dat er geen personeel meer bij de kassa staat. Het restaurant is op mij en de vier ‘roze’ dames na helemaal leeg. Ik weet ineens waar de dames van zijn, het zijn de vrouwen van het restaurant.

Als ik weer zit luister ik naar hun gesprek. Dat is zeker boeiend. Eerst gaat het over de jongste vrouw, ik ben er van overtuigd dat zij stagiair is. Ik begrijp uit het gesprek dat ze door het hele ziekenhuis werkt, vandaag een dagje restaurant. Ik zie aan haar gezicht dat het haar niks bevalt, dat restaurant. De oudere vrouwen bevalt het duidelijk wel, enthousiast praten ze over magnetronmaaltijden, gebakken aardappelen en de houdbaarheidsdatum van frituurvet. Boeiend hoor.

Het gesprek wordt naarmate de tijd vordert steeds boeiender. Na ongeveer vijf minuten zijn we aanbeland bij het onderwerp ‘koffieautomaat’. De stagiair raakt geïnteresseerd, ze vraagt maar raak. “Kan je meerdere kopjes tegelijk zetten? Welke hendel is waarvoor?  Waarvoor is nou die ene knop aan de achterkant? ”

Het gezicht van de stagiair klaart helemaal op.

Ineens zie ik het; die werkt tot haar vijfenzestigste in het restaurant, net als de andere drie dames.

Revolutie

Binnen het onderwijs is een revolutie gaande, een revolutie waar mijn school sinds dit jaar aan mee doet. Eigenlijk sinds vorig jaar, na de zomervakantie. Ik begon met de derde klas van de havo, we verhuisden van het brugklasgebouw naar ‘het hoofdgebouw’ en met ons kwam er een nieuw product. Het product, bestaand uit één beeldscherm, één beamer, één computer en één groot bord hing in het Nederlands lokaal.

Het Nederlands lokaal, een stoffig hok aan de rand van het gebouw. Verafschuwd door menig leraar, mede door de niet werkende radiatoren. Om het lokaal nog wat leven in te blazen heeft de directie besloten er een digitaal bord neer te hangen. Dat was het product, één digitaal bord. Inclusief twee pennen.

Na de komst van het digitale bord was het ruzie. Elke leerkracht, schoonmaakster, onderwijsassistent en TOA (technische onderwijs assistent) wou werken in het Nederlands lokaal. Het bord was geweldig, spoedcursussen werden gegeven, youtube.nl werd populair onder leerkrachten.

Vanwege het grote succes besloot de directie de borden in de gehele school te plaatsen. Geen kantoor, kantine, klaslokaal of gymzaal kon nog zonder beamer. Geweldig. Fenomenaal. Revolutie. Innovatief. Het nieuwe lesgeven.

Zo dachten ze.

Nu, één schooljaar wijzer, zit ik zeven uur per dag naar zo’n digibord te staren. Vaak een zwart digibord. Negen van de tien keer is de batterij van de pen leeg, een tweede pen was te duur, het bestellen van één nieuwe pen lijkt eindeloos te duren. De creatieve docent Engels probeert in het computerprogramma, dat lijkt op paint, nog wel eens een aantekening met de muis te geven. Ongekend tekentalent verschijnt op het bord.

Mocht de pen wel werken is het lokaal vaak te licht. Zo’n beamer werkt met een lamp, schijnt de zon? Weg effect van lamp. Op het bord is nog net de taakbalk met het icoontje ‘start’ zichtbaar. Niet genoeg voor een aantekening over, ik noem maar iets, Logaritmen.

Sommige borden werken wel, prima zelfs. De zon schijnt niet, de pen werkt prima en ook het programma start feilloos op.

Het probleem is alleen dat juist in die lokalen een uitgekauwde lerares Duits zit die echt niet van plan is na vijfendertig jaar onderwijs een digibord te gaan gebruiken.

Weg revolutie.

Dat had ik dus nooit verwacht

We hebben het gehaald. Ik kan jullie nu vertellen dat je met 90 km/h op de snelweg langer onderweg bent dan wanneer je rijdt met 120 km/h, toch heeft het ook wel weer wat. Het is ook wel weer leuk om elkaar onderweg, zonder schreeuwen, te kunnen verstaan.

Maar oké, we zijn er dus. Zeeland. ‘De Soeten Heart.’ Na een reis van ruim drie uur, de tussenstop bij de Ikea Utrecht niet meegerekend, hebben we het vakantiepark bereikt. Aankomen op zo’n onbekend vakantiepark vind ik altijd geweldig. Zonder dat ik het door heb verwacht ik altijd al van alles, ik verwacht een bepaald soort mensen. Ik verwacht een bepaald soort huisjes. Ik verwacht een bepaalde sfeer. En nooit, maar dan ook écht nooit, is ook maar één van die verwachtingen uitgekomen.

Zo ook vandaag. We reden de laatste weg op, TomTom gaf aan dat we nog zevenhonderd meter voor de boeg hadden. Intussen reden we voorbij een vakantiepark, alleen maar houten bungalows. Meteen dacht ik dat het ons vakantiepark was, dat een van die bungalows voor ons zou zijn. Was wel apart, we moesten nog zevenhonderd meter. Dat bleek ook niet ons park.

Het park waar we wel moesten zijn zag er keurig uit. Het zag er niet uit als verwacht, wat dan weer wel verwacht was. Ik vond het park leuk, gezellig, gemoedelijk. Die stemming verdween plotsklaps toen de deur van de grote Volvo naast ons open ging en er een meneer met rode broek en gestreept overhemd uitstapte.

Intussen gingen opa en oma alles regelen, de gehuurde fietsen, de sleutel, de algemene parkinformatie, enzovoort. Na een minuut of tien in de auto te hebben gewacht was er nog niemand. Geen opa. Geen oma. Ik liet de auto even alleen en liep de receptie in. Een redelijk groot gebouw, maar te klein voor het aantal mensen. Overal mensen, allemaal precies om drie uur aanwezig, allemaal exact op tijd.

Wij dus ook, ook wij waren exact op tijd. Nadat opa en oma terugkwamen met de sleutel voor een huisje, begonnen we de auto uit te laden. Het huisje werd verkend, de slaapkamers werden verdeeld.

Na de verkenning van het huisje stapten we op. De C1000 in Renesse. Ik verwachtte een keurige winkel. Een rustiek dorpje, mooi en landelijk.

Toen onze auto het klinkerpad richting de c1000 naderde zag ik dat het helemaal vol stond met auto’s, Volvo’s. Uit één van de Volvo’s stapte de man met de rode broek.

Dat had ik dus nooit verwacht.

314 Liter

Lijkt veel, toch? 314 liter. Dat zijn toch twee volle ligbaden. Dat zijn toch driehonderdveertien pakken melk, elke dag één pak, dan drink je bijna een jaar melk.

Toch vond ik het niet veel, waarom niet? Ik was meer gewend. Veel meer. Ik was gewend aan vijfduizend liter. Minimaal. Vergeleken met dát is 314 liter natuurlijk kinderspel.

Toch moest ik het er mee doen, dat werd dus proppen. Ik zag de stapel kleren, daarna zag ik de tas. Iedereen had kunnen bedenken dat het nooit zou passen, maar ik niet. Op dat moment niet.

Bij broek nummer twee zat de tas vol, overvol. Er was nog maar één optie, ik moest kleren thuis laten. Niet dat ik dat heel erg vind hoor. Nee, ik ben geen vrouw. Toch voelde het vervelend, dit had ik nog nooit meegemaakt.

Het is ook wel weer leuk, om eens iets mee te maken wat een ander altijd mee moet maken. Om mee te maken hoe het is om een gewone personenauto te hebben.

Immers, niet iedereen heeft zo’n mooi wit Toyota busje.

Duizend-en-één vakantiesites

Je wil op vakantie naar Noord-Frankrijk of België? Prima.
Je wil op vakantie met het openbaar vervoer? Geen probleem.
Je wil dat regelen via het internet? Ai.

Op vakantie naar Frankrijk of België, dat was dus ons doel. Franstalig, dat was een must. Het zou geen gewone vakantie worden, nee. Mijn zusje en ik wilden op vakantie met mijn opa en oma.

Waar begin je dan? Bij het reisbureau? Op internet? Ik had niet zoveel zin in het reisbureau, nog niet. Als ik de mevrouw in het reisbureau zou vertellen dat ik op zoek ben naar een vakantiepark of hotel in Noord-Frankrijk of België reageert ze waarschijnlijk met: “Maar wat zoek je dan precies? En waar? En in wat voor prijsklasse? En met eigen vervoer of met het vliegtuig? Of met de trein?” Daar had ik geen zin in, dus ging ik het internet op.

Het internet. Gewoon, de startpagina. “Google.nl”. Zoekopdracht:”Vakantiepark Noord Frankrijk”. 95.900 resultaten. Oké, een halfuur verder, nog niets gevonden. Volgende zoekopdracht; “vakantiepark België”. Geen park te vinden met een station in de buurt.

een hotel dan? Dat werd te duur. Een vakantiepark in Noord-Frankrijk? Te ver weg. Een vakantiepark ik België? Prima, wel Franstalig asjeblieft. De vraag is nu wat gerichter, we zoeken een vakantiepark dat vlak onder Maastricht ligt en Franstalig is.

Dan toch maar naar het reisbureau, daar hebben ze vast antwoord. Mevrouw vraagt eerst drie keer of ik een kopje thee wil. Nou, nee. Daarna gaat ze op zoek, eerst in wat folders, daarna achter de computer. Ze start internet op, gaat naar Google en typt in: “Vakantiepark België onder Maastricht.” Zucht.

Daar komen we dus niet verder mee, na een halfuurtje tijdverdrijf ga ik naar huis. ’s Middags ga ik bij opa en oma langs, België is met het openbaar vervoer niet te doen, Frankrijk vinden zij te ver weg en vlak onder Maastricht zijn geen vakantieparken.

Gelukkig is opa ook even online geweest, geen Frankrijk of België, niet Franstalig maar prima met de auto te doen. Dus, als het aan hem ligt gaan we daar heen, gewoon, met hun auto. Even later lijkt het mij ook leuk, een mooi huisje, geweldige omgeving en ik ben er nog nooit geweest.

Zeeland.

De speeltuin.

Mijn schooldag zit er eindelijk op. Met een bezweet en rood aangelopen hoofd van het fietsen kom ik bij huis aan. Als ik de fiets in de schuur wil zetten loopt mijn buurjongetje, vier jaar oud, voorbij.

“Tjeerd, vind je het goed als je zo naar de speeltuin komt?”

Een glimlach verschijnt op mijn gezicht. Het vraagteken past nog achter de zin, al zei het met moeite. Ik antwoord dat ik eerst even een koekje ga eten en daarna wel kom.

Na het koekje moet ik er toch echt aan geloven. Beloofd is beloofd. Met de enige moeite heb ik ook mijn zusje meegekregen naar de speeltuin. De speeltuin grenst aan onze achtertuin, voor ons dus welgeteld drie meter lopen. Op de met gras en zand bedekte grond staan wat speeltoestellen. Een glijbaan. Een schommel, zo’n grote, zo’n ronde. Een wipwap. Een duikelstang. Alles in de speeltuin is net nieuw, alles ziet er keurig uit. Keurig maar eenvoudig. En van hout, allemaal van hout.

Het buurmeisje is ook in de speeltuin, zes jaar oud. Zodra het duo ons aan ziet komen springen ze beiden in de schommel. “Schommelen! Jullie moeten duwen!”. Aan het gezicht van mijn zusje zie ik dat zij niet van plan is de twee kinderen een kwartier lang te duwen. Als de schommel op gang komt zegt ze daarom snel: “Weten jullie, de schommel is het vliegtuig en je mag zelf weten waar je heenvliegt!”. Het buurmeisje wil naar Frankrijk, de buurjongen naar Spanje. Ruzie dus. Uiteindelijke besluiten we op de grens tussen Frankrijk en Spanje te landen. De schommel remt af.

Als de twee kinderen uit de schommel komen doen we net alsof we op safari zijn, op safari door de Jungle in Spanje. Door de bergen. De glijbaan is hindernis nummer één, het is een berg. We roetsjen van de glijbaan af, daarna op weg naar de struikjes, de kinderen gaan voorop. Na een paar minuten hebben we Spanje wel gezien, we stappen weer in het vliegtuig.

Eenmaal in het vliegtuig willen ze naar Amerika, ik speel de zee. Na Amerika willen ze naar Australië, weer over zee. In Australië zijn kangoeroes en leeuwen, zo fantaseren we. Ook Australië is snel gezien, op weg naar Duitsland, Italië, Rusland en Tsjechië.

Te midden van een Russische oorlog kijk ik op mijn telefoon. Verschrikt zie ik dat het bijna vijf uur is. “O, help!” roep ik, omringd door kanonnen. Het buurjongetje komt naar me toe: “Ben je gewond?” Vraagt hij. Lachend zeg ik: “Nee, maar ik moet naar huis.”

“Oké.” Roept hij met een serieus gezicht. “Maar dan moeten we wel eerst met het vliegtuig!”

31 maart, de dag vóór 1 april.

Met een bord macaroni nestel ik me voor de televisie. Dit halfuur ben ik alleen thuis. Heerlijk. Zodra ik de televisie aanzet staat deze op Z@ppelin, beter bekend als Nederland 3. Dat heb je met drie zusjes. Normaal heb ik nooit zo de behoefte om de televisie op Nederland 3 te laten staan, vandaag is dat anders. Het klokhuis –een informatief basisschoolprogramma- is net afgelopen en het jeugdjournaal begint. Het jeugdjournaal, ik keek het vroeger ook altijd, naast mijn ouders op de bank. Nu nog wel eens, maar dan omdat de televisie op Nederland 3 staat en ik de afstandsbediening nergens kan vinden.

Het jeugdjournaal. Als kind vond ik het een geweldig programma. Ik was te jong om naar alle oorlogsdoden van het grote-mensen-journaal te mogen kijken en bij het jeugdjournaal was alles kindvriendelijk. Maar nu ik wat ouder wordt en mensen me ‘een puber’ noemen, heeft het jeugdjournaal het allemaal net niet. Ik vind het niet meer boeiend om te weten dat groep zes van basisschool ‘De Tamarisk’ uit Utrecht na half vier niet meer op het plein mag spelen.

Ook vandaag zijn de onderwerpen niet om over naar huis te schrijven. Van aangepaste verlichting in schoolklassen tot sneeuw in de verenigde staten. Bij de onderwerpen zit ook, zo zeggen ze zelf, een vroege 1 april grap. Ik ben benieuwd.

Eerst hoor ik tien minuten lang gezeur aan, wachtend op de vroege 1 april grap. Nadat ik één derde deel alleen thuis zijn verspild heb is hij daar, de 1 april grap. Het gaat over een basisschool –hoe kan het ook anders- die uniformen in gaat voeren. Boze kinderen komen voor de camera, de camera die gekomen is om mee te spelen met de 1 april grap. Ook een moeder komt in beeld, een moeder die de 1 april grap heeft opgezet en dat naar mijn idee vooral gedaan heeft om in beeld te komen.

Dan, na anderhalve minuut zendtijd verspild te hebben wordt aan de kinderen duidelijk gemaakt dat de uniformen horen bij een 1 april grap. Een vroege 1 april grap. Iedereen juicht. Iedereen is blij. Behalve één meisje, huilend staat ze in een hoek van de grote ruimte.

Als de journaliste naar haar toe gaat om te vragen waarom ze moet huilen zegt ze:

“nou, ik ben altijd jaloers op Angel. Zij heeft altijd mooie kleren. En ik dacht dat dit echt was, maar het is dus een 1 april grap”

Met een glimlach zit ik met mijn lege bord macaroni op de bank en denk; was iedereen maar zo eerlijk.

Lente

Iedereen is lyrisch, iedereen is blij. Het is namelijk lente. Heel leuk, maar zo bijzonder is dat toch niet? Elk jaar wordt het lente.

Ik heb namelijk het idee dat er iets niet klopt. De afgelopen vier maanden was het winter. Althans, het sneeuwde en het vroor. Winter dus. Maar toen klopte er al iets niet, we hebben namelijk vier maanden vorst gehad, vier maanden vrieskou. Goed voor centimeters ijs. En terwijl half Nederland smacht naar een Elfstedentocht, is er geen moment, geen moment in vier maanden vorst, waarop dát kan.

Toen het nog oktober was, en iedereen afkoelde van een hete zomer, verlangden miljoenen mensen naar het eerste vlokje sneeuw. En daar was het dan, op een zaterdagnacht. Zondagmorgen vlogen deuren open, kinderen stormden naar buiten, bewapend met sleeën, sneeuwschuivers en dikke winterjassen, iedereen was blij.

Kinderen hebben voor het eerst in hun leven een witte kerst gezien. Hele volksstammen praten over het abnormale weer, iedereen is blij.

Begin januari sloeg de sfeer in Nederland een beetje om, mensen hadden het gehad. Ze willen weer zon, weer met-zonder-jas naar buiten. Ook kranten werden ongeduldig, duizenden woorden werden vuilgemaakt aan de te lange winter.

En nu, tsja. Het wordt lente. Daar is iedereen van overtuigd. Maar ik heb het idee dat er iets niet klopt, dat iemand een spelletje met ons speelt. Woensdag zat ik in T-shirt in de tuin. Donderdag was een regenbroek geen overbodige luxe.

Volgens mij zit hierboven iemand die ons heel hard aan het uitlachen is, iemand die ons als een voetbal heen en weer speelt tussen alle soorten weer. Regen, Zon, Onweer en sneeuw.

En we trappen er met zijn allen gewoon in.