Zilveren herinneringen met een gouden randje

We zitten in een bus op de A28 en de ramen zijn beslagen. De beenruimte schiet als vanzelfsprekend ernstig tekort voor mijn 1.95 meter. De beslagen ramen bieden mogelijkheid tot een spelletje: galgje. Ons galgje-slachtoffer is al een stille dood gestorven voordat het eerste woord in waterdruppels op de ruiten tevoorschijn komt: quiz. De bus rijdt richting Hoogeveen. Een bus vol met eindexamenkandidaten van ’t vwo, klas zes, uit Hoogeveen. Allemaal klasgenoten van mij.

Terwijl ik in die bus zit en het volgende galgje woord met veel gelach wordt geraden (yoghurt) denk ik aan alle mensen die hier in de bus zitten. Mocht de bus verongelukken, ik noem maar wat; zit de arbeidsmarkt over tien jaar met een tekort. Bij economie geleerd. Achter alle gezichten zit een naam en bij de meeste gezichten ken ik ook het verhaal. Net als iedereen hier. Iedereen moet dit jaar een presentatie houden over zijn of haar toekomst. Sindsdien ontpoppen zich in mijn klas ineens biologische wetenschappers, artsen, zakenvrouwen, huisvaders, tolken en verloskundigen: het is te hopen dat deze bus niet verongelukt.

We zijn net bij de klimhal in Groningen geweest. In je eentje, maar gezekerd door een klasgenoot, beklom je de klimwand. Da’s dus een kwestie van blindelings vertrouwen op die klasgenoot. Gym is in de zesde klas van ’t vwo eerder een praktijklesje psychologie (ik wil die tyfus-tering-kut-potverdomme-vreselijke klimwand helemaal niet op. En dan toch gaan.) dan een gymles. Dat bevalt me wel.

Eigenlijk bevalt alles aan deze school me wel, besef ik in de bus ineens: de mensen, de leraren, het eeuwige gezeik op de schoolleiding, de vrienden, het gebouw. Dit alles natuurlijk omdat school na zes jaar een vertrouwd nest is geworden. Een telefoon op tafel wordt in de zesde klas van ’t vwo niet meer als een object volgens het schoolreglement gezien, maar als een menselijk ding. Dat zo nu en dan nou eenmaal op tafel ligt.

Maar hoe fijn en vertrouwd het ook is, het huiswerkcultuurtje werpt zijn vruchten al een poosje niet meer af. Ik ben ’t zat. Algemeen bekend is dat je van de middelbare school de minste vriendschappen voor het leven overhoudt. Die komen pas in je studententijd. Een gekke gedachte is het, dat mensen die ik nu dagelijks spreek over veertig jaar in een laatje ver weg gestopt in mijn -dan ver ontwikkelde- hersenpan zitten.

Maar als ik over een aantal jaren terugdenk aan het gevoel dat ik nu in de bus heb, dan verlang ik vast een zeker vurig terug naar dat moment. Heel eventjes maar. Daarna ga ik weer verder waar ik mee bezig was: mijn oude klasgenoten uit de zesde klas van ’t vwo bellen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *