‘Apocalyptisch’ begin van 2020 in Nieuw-Zeeland

De lucht kleurde vanochtend oranje en inmiddels zijn Queenstown en grote delen van het Zuidereiland in rook gehuld. Het ruikt hier naar verbrand hout. 01-01-2020 doet in Nieuw-Zeeland apocalyptisch aan. De oorzaak? Australische bosbranden.

De schaal van een natuurramp vind ik vaak maar lastig voor te stellen. Beelden op televisie geven natuurlijk een indruk, maar bewoners die in tranen uitbarsten en vertellen hoe hun huis in vlammen is opgegaan, voelen ook als een ver-van-mijn-bed-show. Alsof je naar een film zit te kijken.

De ernst van een ramp dringt vaak pas door als je er met je neus bovenop staat. Of als je met de zichtbare gevolgen geconfronteerd wordt.

De Remarkables (in Queenstown) zijn op nieuwjaarsdag gehuld in rook.

Nou zijn de Australische bosbranden al weken in het nieuws. Kranten koppen over ‘catastrofale’ vuurzeeën waar complete dorpen in verdwijnen. De BBC kwam deze week met een kaartje waarop alle Australische bosbranden met een rood puntje werden aangegeven: de hele landkaart leek wel rood.

Aanhoudende wind en extreme temperaturen zorgen ervoor dat het vuur zich voortdurend blijft verspreiden. Honderden huizen zijn in vlammen opgegaan en in de zwaar getroffen Australische staat New South Wales is al meer dan vier miljoen hectare bos afgebrand.

Een paar duizend Australische en Nieuw-Zeelandse brandweerlieden zijn in de weer om de brandhaarden in bedwang te houden, maar er is weinig in te brengen tegen vlammen die soms wel zeventig meter hoog zijn.

Dat drong allemaal niet echt tot mij door, totdat wij vanochtend, op nieuwjaarsdag, wakker werden van een maffe oranje gloed die door de luxaflex scheen. Alsof de wereld in brand stond en het einde nabij was.

Vanuit Kelvin Heights (Queenstown) waren de oranje luchten op nieuwjaarsdag ’s ochtends goed te zien. (En, ja, dat ben ik, in die grijze Toyota).

Die oranje gloed, na zonsopgang gauw gevolgd door dikke rookwolken, is over komen waaien vanuit Australië. Op satellietbeelden is goed te zien hoe de rook boven de Tasmanzee en het Nieuw-Zeelandse Zuidereiland hangt.

En als wij zelfs met die enorme afstand tussen de brandhaarden en Queenstown (zo’n tweeduizend kilometer, vergelijkbaar met de afstand tussen Nederland en Zuid-Spanje) al zo’n last hebben van de rook…

… Dan vergt het weinig voorstellingsvermogen om te bedenken hoe het er in Australië aan toe gaat.

Al die beelden van knaloranje luchten, afgebrande dorpen en mensen die vanwege de vuurzee naar het strand moesten vluchten: ineens voelen ze niet meer als een film, maar als bittere ernst.

Raar maar waar: vrolijk kerstfeest vanuit Nieuw-Zeeland

Het is het hele jaar door raar: Pasen in de herfst, skiën in augustus. Maar als er toch één moment is waarop ik niet kan wennen aan een leven op het Zuidelijk halfrond, dan is het wel met Kerstmis.

Terwijl ik dit schrijf staat It’s Beginning To Look A Lot Like Christmas van Michael Bublé op. Maar géén van de dingen waar hij over zingt, zie ik om me heen verschijnen.

Oké dan, in de winkels liggen besneeuwde kerstboompjes, kerstmannen in glazen sneeuwbollen en winterse chocoladeversieringen. En jawel, ook hier staat een opgetuigde kerstboom – behangen met een afgrijselijke hoeveelheid knipperende lampjes.

De kerstboom bij Mike z’n ouders – net echt.

Maar na anderhalve dag begonnen de eerste naalden al uit te vallen. Kerstmis in de zomer, dat is natuurlijk ook voor zo’n den veel te warm.

En ik geloof dat de Nieuw-Zeelanders zich ook niet zo’n raad weten met het kerstfeest in dit jaargetijde. Een van oorsprong Nederlandse man die hier al zijn hele leven woont, vatte het treffend samen.

‘Alle Christelijke feestdagen zijn ontworpen voor het Noordelijk halfrond’, vertelde hij. ‘Pasen valt in de lente, dus dan zijn we druk met paaseieren. Met Pinksteren voelen we de zomer al kriebelen en laten we duiven los in een kerk.’ Nou, daar hoef je in Nieuw-Zeeland rond die tijd van het jaar natuurlijk niet mee aan te komen.

Home-made kerst cookies.

Denken we aan Kerstmis op het Zuidelijke halfrond, dan denken we volgens mij allemaal aan oververhitte Australiërs op Bondi Beach. Zo doldwaas maken wij het hier gelukkig niet.

Maar Queenstown loopt wel over van mensen (inclusief mijzelf) wiens familie duizenden kilometers verderop woont. Allemaal zouden ze voor de feestdagen graag even huiswaarts vliegen, maar dat gaat natuurlijk niet. En dus vieren wij hier een Orphan’s Christmas – een ‘weeskinderenkerstmis’.

Zo vierden we kerst vorig jaar, toen Liza-Lotte op bezoek was.

Iedereen is welkom. Vorig jaar was dat bij ons in de tuin, dit jaar zijn we bij Mike zijn ouders in Invercargill. En dus begon Mike allerlei vrienden en vriendinnen uit te nodigen. Iedereen die Eerste Kerstdag vrij wist te krijgen, besloot met ons mee naar de zuidelijkste stad van Nieuw-Zeeland te komen.

Gisteren belde Mike zijn ouders om even door te geven met hoeveel we komen. ‘Met zijn elven?’, reageerde zijn vader geschrokken. ‘Ja’, zei Mike. ‘We zien jullie morgen. Oh, ja, kunnen we nog iets meenemen?’

Het was even stil aan de andere kant van de lijn. Toen: ‘Nou, wat dacht je van een supermarkt?’

Gelukkig kwam het allemaal goed. Daarom, vanaf de andere  kant van de wereld: een heel vrolijk kerstfeest!

Vrolijk kerstfeest!

Berichtgeving over Nieuw-Zeeland? ‘Nee, joh. Er gebeurt hier nooit wat’

Toen ik eerder dit jaar als nachtredacteur bij RTL Nieuws begon, stelde de chef voor dat ik tijdens mijn diensten ook wel eens over Nieuw-Zeeland zou kunnen schrijven. “Dat zal zo’n vaart niet lopen”, reageerde ik nuchter. “Er gebeurt hier immers nooit wat.”

Drie dagen later kwamen in Christchurch bij een terreuraanslag 51 mensen om het leven. De schietpartijen in de moskeeën werden wereldnieuws. Net als de reactie van minister-president Jacinda Ardern.

‘Eruption on White Island’

Deze week stonden voorpagina’s wereldwijd opnieuw in het teken van Nieuw-Zeeland.

Het begon afgelopen maandag met een pushmelding van nieuwssite Stuff.co.nz: ‘Eruption on White Island’. Even later gevolgd door een tweede bericht: mogelijk liepen er op het moment van de vulkaanuitbarsting nog tientallen toeristen op het eiland.

white island eruption stuff.co.nz
De eerste berichtgeving over de vulkaanuitbarsting.

Sindsdien bleven de updates maar komen. Ik heb een week aan de televisie en het internet gekluisterd gezeten en de berichtgeving gevolgd. Het ene bericht was nog onvoorstelbaarder dan het andere.

Script van een slechte actiefilm

Die eerste dag las als het script van een slechte actiefilm: toeristen die 40 kilometer uit de kust vastzaten op een vulkanisch eiland, terwijl reddingsdiensten machteloos toe moesten kijken vanwege ‘as, rook en uitbarstingsgevaar’.

Een dag later vertelde de politiecommissaris om zeven uur ’s ochtends al dat er op White Island ‘geen teken van leven’ meer was. De acht achtergebleven toeristen waren dus vrijwel zeker om het leven gekomen.

Beelden van Jacinda Ardern, die met de tranen in haar ogen hulpverleners stond te knuffelen, gingen opnieuw de wereld over.

Ernst van de verwondingen

In de dagen daarna verschoof de aandacht naar de tientallen overlevenden, die door helikopters en toerboten vlak na de uitbarsting nog van het eiland waren gehaald. Was iedereen eerst opgelucht dat ze het er levend vanaf hadden gebracht, later drong langzamerhand de ernst van hun verwondingen door.

Doktoren in het lokale ziekenhuis van Whakatane, de kustplaats bij White Island, hadden maandag na het ongeluk moeten improviseren. Ze spraken van een Chernobyl-achtige situatie. 27 van de geredde toeristen hadden brandwonden op meer dan 30 procent van hun lichaam. Sommigen waren zelfs voor meer dan 90 procent verbrand.

Patiënten in kritieke toestand

Brandwondencentra verspreid over Nieuw-Zeeland hadden zo in een klap het equivalent van een jaar werk binnen zien komen. En ook de artsen in die centra vertelden nog nooit zoiets te hebben meegemaakt. Niet alleen was de huid van patiënten ernstig verbrand, maar ook had het verzurende vulkanische materiaal luchtwegen en wonden aangetast.

25 patiënten lagen in kritieke toestand, bijna allemaal aan de beademing. ‘Een vuistregel’, zo vertelde een arts, ‘is dat je voor elke procent verbrande huid gemiddeld één week ligt opgenomen in het ziekenhuis’. Maar door alle complicaties zou dat voor deze patiënten waarschijnlijk zelfs nog te optimistisch zijn.

Iedereen heeft één vraag

Maar alle berichtgeving, van de verbouwereerde doktoren tot de pogingen om de achtergebleven toeristen te repatriëren, werden overschaduwd door één vraag.

En ook in Queenstown, de ‘adventure capital of the world’, waar men best wel gewend is aan wat risico en gevaar voor toeristen, hoorde ik ‘m deze week al vaak voorbijkomen:

Waarom, in hemelsnaam, waren er toeristen toegestaan op een actieve vulkaan?

Niemand die daar het antwoord op heeft.

Mijn familie? Die zie ik dankzij een kabel onder de Grote Oceaan

(Maar volgend jaar ook weer een tijdje in het echt. Meer weten? Verder lezen!)

Op een avond, afgelopen winter, drong de magie van het wonder der techniek weer eens tot me door. Bij ‘jullie’, waar de (ge)tijden nogal anders lopen dan hier, was het ochtend en zomer. Mijn zusjes hadden vakantie. Maaike zat in Noorwegen, Aagje was in Frankrijk en Sietske liep door Groningen. En toen ging de telefoon.

Het was een inkomend WhatsApp-videogesprek. Toen ik opnam, zwaaiden er drie zusjes naar me. Allemaal vanuit een andere hoek van Europa, terwijl ik de besneeuwde bergtoppen van Queenstown nog maar eens liet zien.

Een (nog net) besneeuwde bergtop in Queenstown.

We kletsten wat, zoals we dat eigenlijk elke paar weken wel doen. Zo nu en dan haperde het beeld even, maar verder kon ik de wimpers van mijn zusjes bijna tellen.

Hoe kan dat eigenlijk, zo’n haarscherpe en vlotte verbinding? Ik zit immers 19.000 kilometer verderop. Dat zal wel via een satellietverbinding zijn, bedacht ik. Maar nee. Nieuw-Zeeland blijkt via onderzeese kabels verbonden te zijn met Australië.

Dat kan ik me nog enigszins voorstellen. Maar dan? Nou, daarna voert ons groepsgesprek via een 15.000 kilometer lange draad naar Fiji en Hawaï, om ergens aan de Amerikaanse westkust weer aan wal te komen. Vanuit daar flitsen de enen en nullen naar de Amerikaanse oostkust en hup, zo onder de Atlantische oceaan door.

D’r liggen wereldwijd nogal wat internetkabels onder water.

Het is nogal een absurd idee: dat ik via die onderzeese ‘levenslijn’ met Nederland verbonden ben. En het blijft wat dat betreft niet bij de wekelijkse gesprekken met de familie. Ook over de boerenprotesten, de ‘foutje, bedankt’-vliegtuigkaping op Schiphol en de motie van wantrouwen voor minister Bijleveld lees (of schrijf) ik dankzij een kabel op de bodem van de oceaan.

Dat Nieuw-Zeeland helemaal niet om de hoek ligt, valt vaak pas op als er eens iets níet via internet gaat. Zoals dat opgestuurde pakketje dat na twee weken nog niet bezorgd is. Of de brieven van de belastingdienst die ik hier pas door de bus krijg als de betaaltermijn al lang en breed verstreken is.

Natuurlijk ontkom je ook niet aan die afstand als je ‘m zelf moet overbruggen. Want of je nou via Los Angeles, Singapore, Dubai of Shanghai vliegt: minder dan 25 uur duurt ‘het tochtje’ nooit.

En hoewel ik niet zo’n zin heb in die reis, kijk ik er (nu alweer, ja) wel naar uit om iedereen weer een tijdje in het echt te zien. Want daar kan geen WhatsApp-videogesprek tegenop.

Zie jullie (op 20 mei 2020) op Schiphol!

‘Ladies and gentlemen, it’s going to be a bumpy ride’

Hoe het kwam dat ik 26 uur (en zes turbulente vluchten) nodig had om vanuit Nelson terug in Queenstown te komen (hemelsbreed nog geen 600 kilometer).

Een flinke draai naar links, een heftige zwiep naar recht. De motoren brullen, minderen vaart en brullen dan weer. We vliegen enkele tientallen meters boven de grond en gevaarlijk dicht langs de bergwand, hoewel die door de dichte bewolking ook maar nauwelijks te zien is.

Het vliegtuig schommelt heftig heen en weer. Dan voelt het net alsof we uit de lucht vallen. De piloten moeten dat ook gevoeld hebben, want ze breken de landing onmiddellijk af. De motoren brullen verder en met een hoop gewiebel laten we het vliegveld van Queenstown achter ons.

Zonovergoten badplaats

Het leek een paar uur eerder allemaal nog zo rooskleurig. Na een weekend bij vrienden in Nelson, verlieten Mike en ik de zonovergoten badplaats. Omdat er geen directe vliegverbinding tussen de twee plaatsen is, moet je overstappen in Wellington. Geen probleem, zo dachten we. En die aangekondigde storm? Die zal vast wel meevallen.

Alles leek nog koek en ei toen we uit Nelson vertrokken.

Nou gebeurt het wel vaker dat de landingsbaan in Queenstown voor problemen zorgt. Vliegtuigen kunnen er door de wind vaak maar op één manier landen, door vlak langs een steile bergwand te vliegen en daarna een scherpe bocht richting de (korte) landingsbaan te maken. Bij harde wind gebeurt het daarom nogal eens dat geen toestel aan de grond raakt.

Terug naar Wellington

Dat gebeurde ook onze vlucht. De piloot waagde het een tweede keer, vloog om de gebergtes heen en zette de landing opnieuw in. Ook die mislukte. Van al het geschommel tijdens die poging zou je spontaan vliegangst krijgen.

Het gevolg: ons vliegtuig keerde terug naar Wellington, waar het een paar uur eerder ook was opgestegen. Omdat het de laatste vlucht van de dag betrof en het weer niet op zou klaren, werd ons een hotelkamer en een vervangende vlucht naar Queenstown beloofd.

Prima! Maar omdat er geen directe vluchten beschikbaar waren, stelde Air New Zealand voor dat ik via Auckland terug naar Queenstown zou vliegen. Bij het ochtendgloren zat ik klaar in dat vliegtuig, maar toen begonnen de problemen pas écht.

‘Thank your for your patience’

De storm die ons er gisteravond van weerhield in Queenstown te landen, raasde nu over Wellington. Maar dat bleek niet het grootste probleem: een van de twee motoren van het toestel startte niet, waardoor we – al op de taxibaan – terug werden gesleept naar de gate. Twee uur (!) en een technische inspectie later, mochten we toch opstijgen.

Dit zijn slechts een paar van de instapkaarten die nodig waren om thuis te komen.

Toen we in Auckland aankwamen hadden we de vlucht naar Queenstown ruim en breed gemist. Samen met zo’n vijftig andere – uitgeputte – passagiers meldde ik me bij de enige open incheckbalie om een vervangende vlucht te regelen. Sommigen misten hun overstap naar Tokio, anderen die naar Fiji. Maar de meesten wilden, net als ik, naar Queenstown.

Noordereiland

Inmiddels hadden we overigens niet alleen de bestemming maar ook het vertrekpunt achter ons gelaten: Auckland ligt op het Noordereiland en een directe vlucht naar Queenstown duurt vanaf hier zo’n twee uur.

Maar directe vluchten naar Queenstown, die waren inmiddels allemaal vergeven. Mijn enige (en laatste) kans voor de dag: een vlucht naar Christchurch, om daar over te stappen op de vlucht naar Queenstown. Schoorvoetend accepteerde ik het aanbod – want wat kan je anders.

My itinerary.

Onderweg naar Christchurch zat ik naast een dame die in 1930 geboren werd, in ’63 voor het eerst eens in een vliegtuig zat en sindsdien nooit meer van haar vliegangst af was gekomen. Hoeveel ik ook praatte, de luchtzakken waar we voortdurend in terecht kwamen stokten haar adem zichtbaar.

Maar, om een toch al uit de kluiten gegroeid verhaal kort te maken: eind goed al goed. Ik ben thuis, ruim 26 uur na vertrek.

Ik had inmiddels verdorie in Europa kunnen zijn.

Zó ziet een landing in Queenstown er op een betere dag uit: 

De Nieuw-Zeelandse immigratiedienst vertrouwt niemand op z’n blauwe ogen. Zelfs mij niet

Ze drukt haar twee duimen nog eens in m’n buik, schijnt met een lampje in m’n oog en neemt m’n lichaamstemperatuur op. Als ze daarna glimlachend zegt dat ik een ‘tall and handsome Dutchman’ ben, geloof ik dat het met die medische keuring allemaal wel goed zal komen. Maar het hele grapje heeft dan al wel ruim 500 Nieuw-Zeelandse dollar gekost.

Toen ik anderhalf jaar geleden voor het eerst naar Nieuw-Zeeland kwam (met een toeristenvisum) en er vorig jaar weer heenvloog (met een vakantiewerkvisum), dacht ik nog niet zo na over alle mitsen en maren die er zijn als je hierheen wilt komen.

Voet aan de grond

Maar nu realiseer ik me hoe prachtig Nieuw-Zeeland is en hoe graag mensen hier daarom blijven wonen. Nee, niet alleen vanwege de uitgestrekte natuur en prachtige landschappen. Ook vanwege de vriendelijke mensen, de gemakkelijke levensstijl en de fantastische manier waarop het land georganiseerd is.

Vanuit alle hoeken van de wereld komen mensen daarom naar Nieuw-Zeeland. Maar dat het helemaal nog niet zo gemakkelijk is om hier vervolgens ook een voet aan de grond te krijgen, blijkt wel uit dit indrukwekkende interview dat vanochtend op RTL Nieuws verscheen.

Tulpen in Invercargill

In het kort: een Nederlands stel verhuist in 2016 naar Invercargill – inderdaad, nog geen twee uur van Queenstown en ook de plek waar Mike is opgegroeid – om er tulpen te verbouwen. Dat gaat ze voor de wind en op basis van hun bedrijf proberen ze een permanente verblijfsvergunning aan te vragen. Dat plan valt echter in het water als de vader van het gezin kanker krijgt en daardoor niet door de medische keuring komt.

Zo simpel is het dus: als je niet aan alle gestelde voorwaarden voldoet, ben je hier niet welkom. Dan maakt het helemaal niet uit hoeveel je verdient of waar je vandaan komt. Laat staan dat de immigratiedienst je op je blauwe ogen vertrouwt.

Tientallen selfies en bankafschriften

Mijn excuus om hier te blijven is het ‘partnership’ dat ik heb met Mike. Die hoeft niet officieel te zijn vastgelegd (godzijdank, want dat zou betekenen dat we pats-boem zouden moeten trouwen, ofzo), maar je moet wel met een heel arsenaal bewijsmateriaal komen.

Zo hebben we de afgelopen weken een dozijn brieven van vrienden en familie verzameld, die onze relatie bevestigen. We hebben bij de visumaanvraag tientallen selfies meegestuurd, naast de afschriften van ons gezamenlijke bankaccount, rekeningen van vluchten waar we samen in zaten, brieven die aan ons beiden geadresseerd waren en, jawel, gesprekken die we hadden via WhatsApp.

‘Genuine and stable’

Het hele pakket, inclusief een officieel vertaalde VOG-verklaring, ligt nu in afwachting van een antwoord bij de immigratiedienst. Door de recente aanslag in Christchurch heeft die het alleen zo druk met visumaanvragen van familieleden van de slachtoffers, dat de wachttijd is opgelopen tot bijna drie maanden.

Over de afloop maak ik me niet zo’n zorgen: een ‘genuine and stable relationship’ – de hoofdvoorwaarde voor een partnershipvisum – hebben we wel. Het kan alleen wel betekenen dat ik door de lange wachttijd m’n geplande vakantie in Europa moet verlengen, want totdat ik van de immigratiedienst een bevestigend antwoord krijg ben ook ik niet welkom in Nieuw-Zeeland.

Dag, mama!

Ik heb net mijn moeder uitgezwaaid.

Hè? Moeder? Uitgezwaaid?

Ja, toen ik in mei 2018 naar Nieuw-Zeeland vertrok, dacht mijn moeder al dat ze me gauw op zou komen zoeken. Ze pakte door, regelde midden in de donkere winter een paar weken vrij en vertrok naar het Land van de Lange Witte Wolk (Echt! Google maar!), daar aan de andere kant van de wereld.

Dat is nu drie-en-een-halve week geleden. Toch ietwat zenuwachtig (want: ‘Hi mum, this is Mike. And Mike, this is my mum’ – als dat maar goed gaat) stond ik toen op het vliegveld om haar op te halen.

Ik was het leven in Queenstown na ruim acht maanden inmiddels aardig ‘normaal’ gaan vinden. Met een groep Europese collega’s (bij de fancy golfclub) en een heerlijk baantje (bij Blendle) waar ik de Nederlandse ochtendkranten voor doorspitte, waande ik me nou niet echt aan de andere kant van de wereld. Tel daar die oh-zo-vriendelijke Nieuw-Zeelanders en de talloze Franse en Duitse toeristen bij en geen mens die nog doorheeft dat je ‘down under’ zit.

Totdat mijn moeder kwam, die zichtbaar van de ene verbazing in de andere viel, die vreselijk moest lachen om Mike z’n humor en die keer op keer over het uitzicht vanuit de woonkamer begon: ‘Zoiets vind je in Nederland nérgens.’

Daarom bij deze: een foto vanuit, jawel, de woonkamer

En dan was er nog dat online reisverslag dat ze bijhield. Bij iedere nieuwe post die ze plaatste konden we de ‘oehs’ en ‘aahs’ van familie en vrienden die het in Nederland lazen hier bijna hóren.

Misschien waren het simpelweg de plaatjes van zonnige stranden en azuurblauwe zeeën die midden in de Nederlandse winterdip zo’n enorme aantrekkingskracht hadden.  Maar tegelijkertijd realiseerde ik me dat Nieuw-Zeeland voor de Nederlander nou niet de meest logische vakantiebestemming is (want: 24 uur vliegen) en dat een kijkje in het leven hier dus best interessant kan zijn.

Helemaal als het gaat om het leven van twee mannen (wij dus), die samen in een enorm huis aan de rand van een meer wonen, met honderdvijftig cactussen en een kat en telkens andere AirBnB-gasten. Daar klinkt al bijna een boek in door.

Maar goed, zo’n boek ligt er niet zomaar. Dat moet je stap voor stap aanpakken. Daarom, de komende weken weer wat updates over mijn leven hier. Voor nu: Goede reis, mam! Zie je in mei in Nederland!

Er waren een heleboel redenen om het níet te doen

Toen ik vorig jaar voor zeven weken vakantie naar Nieuw-Zeeland vertrok, verwachtte ik niet dit stukje nu vanuit Nieuw-Zeeland te tikken. Mijn ouders onbewust misschien wel, want die zeiden allebei: ‘ik hoop niet dat je een leuke baan vindt of iemand tegenkomt waardoor je ernaar terug wilt’.

Het is immers wel héél ver weg, dat eiland aan de andere kant van de wereld. Dat eiland met die prachtige landschappen, zonder gevaarlijke dieren, waar iedereen vriendelijk is en Engels spreekt.

En als ik ergens níet naar op zoek was tijdens die vakantie, dan was het wel verkering. Ik vermaakte me uitstekend, had alle vrijheid, kon in de zomers en winters in Frankrijk werken en had net een half jaar in Parijs rondgefladderd. Daar was ik maar gestopt met daten, want wat als ik op Grindr of Tinder of in een bar ineens de ware zou ontmoetten.

Dan zou ik mijn hele leven op en neer moeten reizen tussen Parijs en Nederland. Dat leek gecompliceerd en onmogelijk.

Dus daar ging ik. Op naar Nieuw-Zeeland. Vier weken lang sliep ik in hostels en genoot ik met mensen die ik onderweg ontmoette van de adembenemende uitzichten en het lenteachtige weer. Alles liep gesmeerd.

En toen was daar ineens Mike. Eigenlijk dacht ik vanaf het allereerste moment al: O, oh, dit kon weleens helemaal escaleren.

Het is niet echt het typische ‘boy meets girl’ verhaal. Maar op de een of andere manier klopte alles. Drie weken cirkelden Mike en ik om elkaar heen en beleefden we een hoop gekke avonturen – waarover later vast meer.

Toen moest ik terug naar Nederland. Mike reisde mee naar Auckland, we namen afscheid en ik vloog terug naar Europa. In het vliegtuig onderweg naar Nederland whatsappte ik ‘m: ‘Zou 22 dagen samen genoeg zijn om alle plannen te veranderen?’ Uiteraard kreeg ik een ‘YES’ terug.

Ach, zeiden mensen, eenmaal terug in Nederland: ‘Vakantieliefdes zijn altijd leuk, maar ik zou het niet te serieus nemen’. En: ‘hoe moet dat als het wél serieus wordt? Nieuw-Zeeland is leuk voor een tijdje, maar niet voor altijd’, ‘En je studie dan?’, ‘En hoe zie je dat over tien jaar?’

Er waren simpelweg een heleboel redenen om het níet te doen. Maar er was één reden om het wel te doen.

En ik ben blij dat ik het gedaan heb.

Eindelijk! Een baantje! Maar dan…

Al bijna twee maanden ben ik in ‘The Adventure Capital Of The World’ en al bijna twee maanden ben ik op zoek naar een baantje. Wat daarbij niet echt helpt: in Nederland was mijn Bachelor Bedrijfskunde al zinloos, hier in Nieuw-Zeeland zie ik helemaal niet hoe dat papiertje ooit nog van pas kan komen.

Laat me het zo samenvatten: als je niet kunt plamuren/metselen/bouwen, geen schapen kunt scheren (echt!) en geen kamers schoon wilt maken blijft er in Queenstown maar één optie over: werk in een restaurant. En daar heb je geen Groningse Universiteitsdiploma voor nodig.

Maar goed, ik met mijn C.V. naar het dichtstbijzijnde steakhouse, naar de plaatselijke Italiaan en naar het lunchcafé. Overal hoorden ze glimlachend mijn verhaal aan – Travelled in New Zealand, fell in love, decided to come back, worked in hospitality before, sorry for my Dutch accent! – maar niemand belde terug.

Ik had de hoop al bijna opgegeven toen ik per toeval langs een recruitment poster liep voor een restaurant dat ‘soon opens in town’. Aziatische keuken, maar daar heb ik sinds mei ook een heleboel ervaring mee. Na nog een leugentje om bestwil over mijn cocktailkennis werd ik aangenomen als, jawel, (cocktail)bartender.

Eind goed al goed, zou je zeggen. Totdat de trainingsweek afgelopen maandag begon.

Dertig enthousiaste FOH (Front Of House) medewerkers in een chic zaaltje met dure wijnglazen waar we water uit mochten drinken. Hiërarchisch in groepjes opgedeeld: de foodrunners, waiters, bartenders, duty managers, assistant managers, venue manager, operation manager en training & development manager. Ik kreeg langzaam maar zeker jeuk.

De balans na drie dagen FOH-training: we hebben allemaal een woord gekozen dat we vinden passen bij het nieuwe restaurant (premium, fine dining, fun, experienced), we hebben een woord gekozen dat onze verwachting beschrijft (new friends, fun, teamwork, slechts één iemand durfde money te zeggen) en we hebben een mission-statement voor ons team gemaakt. We hebben nogal wat zinnige dingen geleerd, dus.

Het hoogtepunt kwam echter toen we het ‘begroeten van gasten’ gingen oefenen.

De assistent-venue-duty-manager: ‘Als gasten binnen komen is het belangrijk dat iedere employee ze begroet. Wij verwachten dat gasten binnen 5 seconden begroet zijn. Een goede manier om dat te doen: “Hi sir/madam, welcome in our restaurant. How was your weekend?”

‘En,’ vervolgt ze, ‘ik verwacht dat iedereen nieuwe gasten op deze manier groet.’

Dan kijkt ze bedenkelijk. ‘Maybe’, zegt ze, ‘moeten we dat toch anders doen en zes verschillende begroet-manieren uitschrijven. Want het is natuurlijk een beetje raar en onnatuurlijk als iedereen “Hi sir/madam, welcome in our restaurant. How was your weekend?” zegt.’

Iedereen in het zaaltje blijft stil, totdat het Ierse meisje tegenover mij diep zucht en hardop vraagt: ‘And what if we all just act like normal people?’

P.S. Sinds dit stukje, begin mei, heb ik hier niets meer van me laten horen. Voor iedereen die zich zorgen maakt: ik ben (nog steeds) verliefd, er ligt genoeg sneeuw op The Remarkables om fatsoenlijk te kunnen skiën en in Queenstown is het zonnig en lente-achtig winterweer.

1. Schiphol

Mind your step, mind your step, mind your step, mind your step.

Pas na een paar minuten krijg ik door dat het niet erg ontspannend zit, vlak naast het mind your step van een van de loopbanden in lounge area 2.

Maar toen ik hier kwam zitten had ik nog weinig oog voor alle voorbijlopende mensen, alle bellende Chinezen, alle taxfree winkeltjes met Dutch souvenirs en al het voorbijrijdende Schiphol personeel.

Ik had namelijk net gedag gezegd tegen de familie, die aan de andere kant van de paspoortcontrole moest blijven. En hoewel ik mij er vijf maanden op heb voorbereid, was ‘t toch lastig het droog te houden toen het spreekwoordelijke puntje bij het spreekwoordelijke paaltje kwam. De douanebeambte keek ook wat argwanend toen ik met een snik en betraande ogen zei dat mijn reisbestemming Singapore is.

Vandaag précies 5 maanden geleden, op 5 december 2017, gaf ik Mike een knuffel op het vliegveld van Auckland, Nieuw-Zeeland, en vloog ik terug naar Nederland. Tijdens een 7-weken durende rondreis door Nieuw-Zeeland was gebeurd waar de familie al zo voor vreesde; ik was verliefd geworden op een kiwi. Op Mike.

Inmiddels is het 5 maanden later, heb ik een seizoen in de Franse alpen gewerkt, ben ik een aantal weken thuis geweest en vlieg ik vandaag weer terug naar de andere kant van de wereld.

Wij (lees: Mike en ik) blijven eerst een aantal weken in Azië en vliegen dan naar Nieuw-Zeeland, waar ik met een working holiday visa één jaar mag blijven. Hoe en wat en waar en wanneer en waarom is allemaal nog onduidelijk, maar omdat ik de beroerdste niet ben, zal ik via deze weg laten weten of het eten in Thailand nou echt zo lekker is, wat je absoluut moet zien als je in Nieuw-Zeeland bent (incl. tips van locals) en of het lastig is om werk te vinden in Queenstown.

Kortom; een reisverslag. Zodat jullie een beetje kunnen meegenieten.

P.S. Mijn allereerste stukje óóit ging ook over iemand die een jaar wegging.